Ernest Mandel
Het laatkapitalisme
Hoofdstuk 10


De internationale concentratie en centralisatie van het kapitaal

Van nature duldt het kapitaal in zijn expansie geen geografische beperkingen.[1] Zijn opkomst is verbonden met het overschrijden van regionale grenzen en de vorming van grote nationale markten, die ten grondslag liggen aan de moderne nationale staat. Nauwelijks is het kapitaal echter in de productie binnengedrongen, of het breidt zich tot over de nationale grenzen uit. Het probeert een echte wereldmarkt te scheppen voor al zijn waren en niet alleen voor de internationale handel in luxegoederen uit het prekapitalistische tijdperk. Deze poging steunt op de goedkope massaproductie van de kapitalistische grootindustrie als voornaamste, maar niet als enige instrument. De staat moet met politiek geweld en dikwijls met wapengeweld in dienst van de bourgeoisie de hindernissen uit de weg ruimen, die prekapitalistische klassen en staten de onbeperkte expansie van de kapitalistische warenexport in de weg leggen. Ook de meest ‘liberale’ en ‘zuivere’ burgerlijke staten uit de tijd van het kapitalisme van de vrije concurrentie hebben de staatsmacht gebruikt om de internationale markten uit te breiden. Men hoeft bijv. maar te denken aan de opiumoorlogen die het Britse kapitalisme in China heeft gevoerd en de oorlogen om zijn Indisch imperium uit te breiden en te consolideren, aan de expansieoorlog van de VS tegen Mexico, aan de Franse oorlog in Algerije, enz.

De verhouding tussen nationale en internationale expansie van het kapitaal heeft dus van begin af aan een gecombineerde structuur tot gevolg, die zich weerspiegelt in de tegenstrijdige houding van de bourgeoisie tegenover het gebruik van de staatsmacht op internationaal niveau en in laatste instantie de uitdrukking is van de wet van de ongelijkmatige en gecombineerde ontwikkeling die, zoals in hoofdstuk 2 van dit boek is uiteengezet, inherent is aan de kapitalistische productiewijze. Het kapitaal heeft de neiging om de internationale expansie te combineren met de vorming en consolidering van nationale markten. Al naar gelang het gegeven ontwikkelingsniveau van de productiekrachten en de maatschappelijke voorwaarden verenigen de mondiale kapitalistische ruilverhoudingen zowel kapitalistische als halfkapitalistische en prekapitalistische productieverhoudingen tot een organische eenheid.[2]

In de imperialistische, monopoliekapitalistische fase van de kapitalistische productiewijze krijgt zowel de verhouding tussen nationale en internationale expansie als die tussen de kapitalistische ontwikkelingswetten en het bewuste gebruik van de staatsmacht voor economische doeleinden een nieuwe dimensie. De concentratie van het kapitaal op nationaal niveau — versneld door de tweede technologische revolutie en de aanzienlijke verhoging van de kapitaalaccumulatie die noodzakelijk was om in de toenmalige groeisectoren efficiënt te kunnen mee concurreren — werkt de centralisatie van het kapitaal in de hand, de radicale daling van het aantal concurrerende ‘verschillende kapitalen’, tot zich een toestand gaat voordoen waarin hele industrietakken worden beheerst door een handvol trusts, concerns of monopolies en een wijziging optreedt in het economische gedrag van die monopolies, dat door gemeenschappelijke prijsafspraken bepaald wordt. De daaruit voortvloeiende tendentiële beperking van de concurrentie en de expansie op de binnenlandse markt leidt tot een tendentiële overkapitalisering, tot een groeiende export van kapitaal en een meer toegespitst belang van het kapitaal niet alleen bij periodieke kanonneerbootexpedities om de warenexport ruim baan te geven, maar ook bij permanente militaire bezetting en controle over nieuwe investeringsterreinen voor de kapitaalexport. De algemene opdeling van de wereld onder imperialistische grote mogendheden, zelf een gevolg van de beperking van de kapitalistische concurrentie op de binnenlandse markt, culmineert in een verscherpte internationale concurrentie op de wereldmarkt, in inter-imperialistische concurrentie en in een tendens tot periodieke herverdeling van die wereldmarkt, ook met wapengeweld, d.w.z. in imperialistische oorlogen.[3]

Maar sinds de overwinning van de socialistische Oktoberrevolutie in Rusland onttrekt de structurele crisis van het kapitalisme[4] nieuwe gebieden aan de kapitalistische wereldmarkt en wordt de geografische ruimte voor de kapitaalaccumulatie tendentieel steeds kleiner, nadat deze aan het einde van de 19de eeuw, toen China in die ruimte werd ingelijfd, haar zegetocht rond de wereld beëindigd had. Het zijn steeds minder de buitenlandse markten en steeds meer de imperialistische moederlanden zelf, die het toneel worden van de internationale kapitalistische concurrentie. Van subjecten worden zij steeds meer objecten van de internationale kapitalistische concurrentie, wat vooral tijdens en na de Tweede Wereldoorlog duidelijk is gebleken. Tegelijk wordt de macht van de burgerlijke staat in de economie steeds directer gebruikt om de voorwaarden voor een soepele vergaring van de monopolistische surpluswinsten en een soepele binnenlandse valorisering van het kapitaal te waarborgen.[5]

Het vroegkapitalistische tijdperk van de vrije concurrentie stond in het teken van een relatieve internationale immobiliteit van het kapitaal. De concentratie ervan bleef overwegend nationaal; de centralisatie was uitsluitend nationaal. Overigens bestond er ook toen een tegentendens van internationale kapitaalbewegingen die de hoofdtendens doorbrak, vooral steunde op enkele grote financiershuizen en tot uiting kwam in de omvang van internationale staatsleningen. Ook ging de toenemende internationale mobiliteit van de arbeidskracht, vooral na de stichting van de blanke bevolkingskolonies, gepaard met een zekere internationale mobiliteit van het kapitaal, zoals bijv. in Noord-Amerika. Naar het Middellandse Zeegebied werden Britse, Belgische en Franse waren geëxporteerd, West-Europees kapitaal drong Egypte en het Ottomaanse rijk binnen via de staatsschuld en legde de grondslag voor de latere imperialistische kapitaalinvesteringen in die landen.[6] Maar in grote trekken was de internationale mobiliteit van het kapitaal gering, vooral omdat de expansie van de kapitaalaccumulatie op de binnenlandse markt nog niet op onoverkomelijke hindernissen stuitte, omdat de kapitaalinvesteringen in het binnenland een zekerheid konden waarborgen, die onvergelijkbaar hoger was dan die van de kapitaalexport in de pre-imperialistische fase en omdat de verschillen in winstvoet door die onzekerheid meer dan gecompenseerd werden.

In de tijd van het klassieke imperialisme krijgt de concentratie van het kapitaal steeds meer een internationaal karakter. Kapitaalinvesteringen in koloniale en halfkoloniale landen zijn een belangrijk kenmerk van het accumulatieproces, en het aandeel van de koloniale surpluswinsten groeit voortdurend. De internationale mobiliteit van het kapitaal neemt snel toe, overeenkomstig de groei van de productiekrachten, waarvoor de klassieke burgerlijke nationale staat al een hinderpaal is geworden. De door de monopolisering van de grote binnenlandse afzetmarkten, vooral van de zware industrie, veroorzaakte belemmeringen tot verdere uitbreiding van de interne markt, leiden het accumulatieproces van het kapitaal steeds meer in internationale richting. Maar juist omdat de tijd van het klassieke imperialisme in het teken staat van een scherpere concurrentiestrijd tussen imperialistische grootmachten, waarin de militair-politieke controle over geografische gebieden (binnenlandse markt + kolonies) de basis vormt voor de verdediging van het bestaande en de verovering van een nieuw deel van de wereldmarkt,[7] krijgt de internationale concentratie van het kapitaal in hoofdzaak niet de vorm van internationale centralisatie, maar komen nationale imperialistische monopolies als antagonisten op de internationale waren-, grondstoffen- en kapitaalmarkt tegenover elkaar te staan. Slechts zelden komt een werkelijke internationale kapitaalvervlechting tot stand.[8] Het klassieke monopoliekapitaal smelt nationaal samen en stelt zich internationaal tevreden met afspraken (internationale kartels enz.). De nationale centralisatie wordt door crises en recessies bevorderd en versneld, omdat de staatsinterventie steeds meer wordt gebruikt om de monopolistische surpluswinsten veilig te stellen. De internationale afspraken daarentegen worden periodiek tenietgedaan, omdat ze op den duur noch tegen internationale crises, recessies en oorlogen, noch tegen de door de wet van de ongelijkmatige en gecombineerde ontwikkeling bepaalde veranderingen in de krachtsverhoudingen bestand zijn.[9]

Dat betekent niet, dat er voor de Tweede Wereldoorlog geen multinationale concerns geweest zouden zijn in de zin van monopolies die een aanzienlijk deel van hun warenproductie buiten het moederland voortbrengen. Alle imperialistische grondstoffenconcerns hoorden tot deze categorie. En het is interessant om vast te stellen dat ook concerns die grote grondstofbronnen in de metropool zelf uitbuitten, zoals de Rockefellergroep in de VS, hun strategie vooral gingen richten op controle over buitenlandse productieplaatsen in plaats van controle over buitenlandse afzetmarkten. Dit hele proces speelde zich af in het teken van een internationale concentratie en nationale centralisatie van het kapitaal, zonder aanzienlijke internationale kapitaalvervlechting en zonder ernstige penetratie van het terrein van de verwerkende industrie. Zuiver kwantitatief was het belang van de multinationale concerns in het proces van kapitaalexport minimaal. In 1914 vond 90 % van de hele buitenlandse kapitaalbeweging plaats in de vorm van indirecte investeringen, terwijl die tegenwoordig voor 75 % uit directe investeringen bestaat.[10]

Overigens hebben er zich tussen 1890 en 1940 uitzonderingen op die hoofdtendens voorgedaan. De twee grote Engels-Nederlandse concerns Royal Dutch-Shell en Unilever zijn het resultaat van internationale kapitaalvervlechting. Grote Zwitserse concerns zoals Hoffmann-La Roche en Nestlé produceren volledig op internationaal niveau. Belgisch en Frans kapitaal, dat al voor de Eerste Wereldoorlog samenwerkte in de opbouw van de Russische ijzerindustrie, zetten die samenwerking na de wereldoorlog op bepaalde gebieden versterkt voort. Maar het is veelzeggend dat deze uitzonderingen betrekking hebben 1. op landen die wegens hun geringe specifieke gewicht, ondanks hun soms aanzienlijke kapitaalrijkdom, steeds minder in staat zijn om een zelfstandige imperialistische wereldpolitiek te voeren, terwijl ze tegelijkertijd behoefte hebben aan een door hun relatieve kapitaalovervloed bepaalde, groeiende internationalisering van hun kapitaalbeleggingen (Nederland, België, gedeeltelijk Zwitserland en Zweden); 2. op gebieden die voor de economische macht van de grote imperialistische mogendheden niet van beslissend belang zijn. Het is bijv. instructief dat bij de vorming van grote chemische concerns in Groot-Brittannië en Duitsland — ICI en IG-Farben — de soms niet onbelangrijke grote buitenlandse aandeelhouders (Solvay is bij ICI zelfs relatief de grootste aandeelhouder)[11] eerder van het beheer over het grootkapitaal werden uitgesloten dan dat zij bij de concernleiding betrokken werden.

Hoewel Boecharin in deze kwestie soms aarzel, heeft hij toch in grote trekken begrepen, dat de betekenis van de ‘internationale organisaties’ (internationale concerns en kartels) in de tijd van het klassieke imperialisme vóér de Eerste Wereldoorlog (wij voegen daaraan toe: ook tussen de wereldoorlogen) ‘helemaal niet zo groot is als op het eerste gezicht misschien lijkt.’[12] De internationaliseringstendens van het economische leven wordt volgens hem ingrijpend doorkruist door het proces van ‘nationalisering’ van het kapitaal.[13] ‘De “nationale economie” verandert in één enkele geweldige, gecombineerde trust, waarvan de deelgenoten de financiersgroepen en de staat zijn. Zulke formaties noemen wij staatskapitalistische trusts.’[14] De concurrentie tussen die ‘staatskapitalistische trusts’ en niet de internationale kapitaalvervlechting is volgens hem het voornaamste kenmerk van het (klassieke) imperialistische tijdvak.

De derde technologische revolutie en de opkomst van het laatkapitalisme betekenen hier een beslissende wending: de internationale concentratie van het kapitaal begint zich nu neer te slaan in een internationale centralisatie. In het laatkapitalisme wordt het multinationale concern de bepalende organisatievorm van het grootkapitaal. De volgende momenten spelen hierbij een rol of maken het mogelijk om kwalitatieve verschillen tussen de ontwikkeling van de concerns in het laatkapitalisme en in het klassieke imperialisme vast te stellen.

1. De recente ontplooiing van de productiekrachten, die samenvalt met de derde technologische revolutie, heeft een punt bereikt, waarop rendabele productie op nationaal niveau niet alleen door de beperktheid van de markt, maar ook vanwege de daartoe benodigde kapitalen niet meer mogelijk is.

Ruimtevaartindustrie en de productie van een supersonisch transportvliegtuig, morgen hoogstwaarschijnlijk ook de ‘milieubeschermingsindustrie’, zijn de in West-Europa klassieke, absolute voorbeelden hiervan. De productie van geïntegreerde schakelingen, waar veel Europese landen wel mee begonnen zijn maar die slechts met één enkele producent voor heel West-Europa rendabel kan zijn, is een relatief voorbeeld van diezelfde tendens. Maar ook op vele andere gebieden blijkt, dat de groei van de productiekrachten het kader van de nationale staat doorbreekt, dat met andere woorden de minimumgrens voor de rentabiliteit waarmee bepaalde waren voortgebracht kunnen worden, productieseries vergt die de afzetmarkt van verscheidene landen omvatten.[15] Er bestaat al een machine die bij rationeel gebruik lucifers voor 10 miljoen verbruikers produceert; een andere machine kan elektrische gloeilampen voor 25 miljoen afnemers produceren; één enkele olieraffinaderij, die de benzinebehoefte van meer dan 15 miljoen mensen kan dekken, enz.[16]

Volgens prof. F. M. Scherer omvat de nationale afzetmarkt (binnenlandse consumptie) in een land als Zweden slechts 30 % van de door hem berekende minimaal renderende productiecapaciteit voor de sigarettenproductie, 50 % daarvan voor koelkasten en 70 % voor bierbrouwerijen. Zelfs in Canada is de binnenlandse markt niet groot genoeg voor één enkele koelkastenfabriek die met een minimaal nog renderende productiecapaciteit werkt.[17] De internationalisering van de productiekrachten vormt aldus de onderbouw voor de internationalisering van het kapitaal. Dit komt o.a. tot uiting in het feit, dat steeds meer internationale handelsbewegingen in werkelijkheid bewegingen zijn binnen hetzelfde internationale concern (o.a. uitvoer van te assembleren auto-onderdelen, reserveonderdelen enz.) Dezelfde druk van de ontwikkeling van de productiekrachten heeft tot gevolg, dat de kosten van veel onderzoeksplannen intussen zelfs de financiële draagkracht van middelgrote staten te boven gaat, wat tot een internationaal geprogrammeerde coördinatie, coöperatie en arbeidsverdeling op deze onderzoeksgebieden leidt. Bij de modernste straaljagers worden de ontwikkelingskosten zo afzichtelijk hoog, dat zij bij de TSR-2 en de Multirole Combat Aircraft (MCRA) zelfs de financiële mogelijkheden van landen als Groot-Brittannië, de Bondsrepubliek en Italië afzonderlijk of tezamen te boven dreigen te gaan. Een extra stimulans voor de vorming van multinationale concerns die samenhangt met de ontplooiing van de productiekrachten, is de groeiende dwang tot verticale integratie; dat is trouwens een drijfveer van de kapitaalcentralisatie in het algemeen.[18] Deze integratie betekent echter in toenemende mate de verbinding van productieplaatsen in verschillende landen, corresponderend met de ongelijke ontwikkeling van de grondstofbronnen, de technologische vernieuwing en de kapitaalaccumulatie in de wereld.

2. Dank zij de gerealiseerde surpluswinsten krijgen de grote monopolistische en oligopolistische concerns door de accumulatie en concentratie van het kapitaal steeds meer kapitaal ter beschikking. De gevolgen daarvan zijn zelffinanciering en overkapitalisering.[19] Maar omdat de afzet (en dus ook de groei van de productie) van ieder product beperkt wordt door het feit dat in het monopoliekapitalisme wordt afgezien van prijsconcurrentie, ontstaat er voor dit specifieke product een dwang tot expansie over de grenzen van de nationale markt heen. Deze expansie gebeurt op twee manieren: door differentiatie en combinatie van sectoren binnen de nationale markt,[20] en door specialisatie en differentiatie van producten op de wereldmarkt. Om redenen van winstmaximalisering op lange termijn (voordelen van grote series, van interne en externe ‘schaalbezuinigingen’, van marktcontrole, enz.) domineert de tweede tendens. Deze resulteert in grote concerns, die internationaal verkopen en produceren. — Een goed voorbeeld daarvan is de chemische industrie. Zo drong het grote Zwitserse concern Ciba (tegenwoordig Ciba-Geigy) de fotochemie binnen (o.a. door het Britse Ilford concern over te nemen) en van daaruit in de sfeer van de audiovisuele apparatuur, de bouw van apparatuur voor de grafische industrie en de productie van instrumenten voor militaire luchtfotografie. Grote farmaceutische firma’s dringen binnen in de productie van voedingsmiddelen (Bristol-Myers), de cosmetica (Roche, Eli-Lilly, Roussel-Uclaf), de constructie van ziekenhuizen en medische apparatuur (Johnson&Johnson, Roche) enz.[21]

3. De technologische surpluswinst (technologische rente) is de in het laatkapitalisme dominerende vorm van surpluswinst. Door de kortere rotatietijd van het vaste kapitaal en de versnelde technologische vernieuwing moet naar steeds nieuwe producten en productieprocedés worden gezocht (met alle valoriseringsrisico’s die de geweldige investering van kapitalen in onderzoek en ontwikkeling met zich meebrengt). Dit vergt een maximale productie en een maximale afzet van de nieuwe producten.[22] Een woordvoerder van de Amerikaanse chemische industrie heeft deze situatie openhartig en duidelijk geformuleerd: ‘Om een meer dan gemiddelde winstmarge te waarborgen, moeten onophoudelijk nieuwe producten en varianten géproduceerd worden waaraan hoge winstmarges verbonden zijn, aangezien de oudere producten van diezelfde categorie snel devalueren tot waren met een geringe winstmarge.’[23] Dit is op zijn beurt een belangrijke stimulans om op internationaal niveau te gaan produceren, gesteund door de betrekkelijk gemakkelijke toegankelijkheid van de grote afzetmarkten (bevolkingsconcentratie in de grote stedelijke agglomeraties).[24] Zo ontstaat er een nieuwe vorm van internationale arbeidsdeling, die gebaseerd is op een specialisering in bepaalde producten en die aangepast is aan de grote laatkapitalistische multinationale concerns.[25]

Bijzonder nuttig daarbij is het internationale prijsverschil bij de aankoop van grondstoffen, machines, grond en gebouwen, arbeidskracht enz. en bij de verkoop van de in hun bedrijven geproduceerde waren, om hun winsten (monopolistische surpluswinsten) over de hele wereld te maximaliseren.[26] Een treffend voorbeeld levert de automobielindustrie met de beheersing van de Amerikaanse markt voor kleine wagens door Europese en Japanse concerns, het overwicht van bepaalde firma’s (Mercedes, Volvo, BMW, Alfa-Romeo, Citroën, Amerikaanse concerns) op de Europese markt voor grote en luxewagens, de specialisering van bepaalde firma’s in middelgrote personenwagens en van andere firma’s in lichtere en zwaardere vrachtwagens enz.

4. De door socio-politieke (voortdurende revolutionaire onrust in de kolonies en halfkolonies) en economische factoren (de grondstoffenproductie wordt omgeschakeld van vroegindustriële naar hoogindustriële techniek; ontwikkeling van de chemische in plaats van natuurlijke grondstoffenproductie enz.) veroorzaakte relatieve daling van de kapitaalexport naar onderontwikkelde gebieden heeft tot gevolg, dat de overtollige kapitalen zich nu tussen de imperialistische metropolen heen en weer gaan bewegen, wat eveneens in het voordeel is van de multinationale concerns. Terwijl die kapitaalstroom na de Tweede Wereldoorlog hoofdzakelijk van Amerikaanse en Britse oorsprong was, neemt nu steeds meer continentaal Europees en Japans kapitaal aan die export deel. De ongelijkmatige ontwikkeling van de verschillende imperialistische machten wordt zelf een stimulans voor de internationale kapitaalvervlechting, o.a. in Europa omdat zonder een dergelijke vervlechting de concurrentiepositie van de afzonderlijke ‘nationale’ (Europese) concerns tegenover de Amerikaanse concerns in het gedrang komt.[27]

5. Niet minder belangrijk is de door de ongelijke groei van de verschillende imperialistische grote mogendheden (gebieden) en door de (hen beschermende) protectionistische en partieel protectionistische praktijken versterkte tendens, om warenexport te vervangen door kapitaalexport, om de douanebeperkingen te omzeilen. Dat speelde al een rol bij de vroegste pogingen van grote firma’s om productieplaatsen in het buitenland te stichten, zoals bijv. Lever Brothers, Bayer of het Nederlandse margarinebedrijf Jurgens (later Unilever) al voor de Eerste Wereldoorlog hebben gedaan.[28] Zo worden er talrijke filialen van Amerikaanse en Britse concerns opgericht binnen de EEG om hun marktaandeel te beschermen tegen de gevolgen van het gemeenschappelijke EG-douanetarief voor import uit derde landen. Zo kan ook de recente protectionistische tendens in de Amerikaanse handelspolitiek — die al een aantal jaren duurt, maar voor het eerst duidelijk tot uiting kwam in Nixons redevoering van 15 augustus 1971 — de export van Europees en Japans kapitaal naar de Verenigde Staten versnellen. Een soortgelijke rol speelt de onstabiliteit van het internationale monetaire systeem (met zijn onvoorspelbare schommelingen van de wisselkoers), die eveneens de expansie van de warenexport remt, maar de kapitaalexport resp. de internationalisering van de productie-eenheden stimuleert.[29]

6. De in het kader van de kapitaalcentralisatie op nationaal niveau ontstane specialisering en ‘rationalisering’ van de beschikkingsmacht over het kapitaal zijn gunstig voor directe investeringen in het buitenland, voor zover daardoor de grote kapitalisten zich meer en meer gaan specialiseren in de ‘pure’ reproductiesfeer en de voordelen van nieuwe investeringen, ongeacht of die nationaal of internationaal zijn, op grond van objectieve criteria vastgesteld kunnen worden. De logica van de oligopolistische concurrentie en de samenhang daarvan met de technische vooruitgang — voor bepaalde producten komt alleen nog de wereldmarkt als ‘normaal’ afzetgebied in aanmerking; vgl. de vliegtuigindustrie — werken in dezelfde richting. De ‘eigen ontwikkeling’ van het concern van nationaal tot internationaal concern correspondeert op het niveau van de ‘vele kapitalen’ met de objectieve ontwikkelingstendensen van het ‘kapitaal in het algemeen’, die we al eerder geschetst hebben.[30]


De voorzitter van de bedrijfsleiding van het grote Duitse concern Robert Bosch GmbH vat de economische motieven voor de internationalisering van zijn concern in de volgende punten samen:
1. de markt, die vaak om goede redenen vereist dat de waren op de verbruiksplaats vervaardigd worden. Die redenen zijn: de transportkosten, de zekerheid over de aanvoer, de aanpassing van het product aan de lokale behoeften en de werkgelegenheids- en de structurele problemen van het afzetland;
2. de productiefactoren: naast grondstoffen en energie vooral de arbeidskracht factoren, waarvan de optimale combinatie voorwaarde is voor de minimalisering van de productiekosten;
3. de technologische ontwikkeling op wereldschaal, die op verschillende gebieden verschillende zwaartepunten heeft en coöperatie vereist;
4. de spreiding van het risico, een gerechtvaardigd doel in een tijd van tendentiële daling van de opbrengsten en toegenomen risico’s.[31]

Enkele cijfers volstaan om de omvang van die internationalisering van de meerwaardeproductie (in tegenstelling tot de internationalisering van de meerwaarderealisering) aan te geven. Als men onder de term ‘internationaal concern’ een concern verstaat, dat minstens 25 % van zijn omzet, investeringen, productie of personeel heeft buiten het land waar het is opgericht of waar het grootste deel van de administratie gevestigd is, dan vallen ca. 75 tot 85 van de 200 grootste Amerikaanse en de 200 grootste Europese concerns in deze categorie.[32] Bij 71 van de 126 grootste Amerikaanse concerns werkt een derde van het personeel in het buitenland.[33] In 1967 ligt de uitvoer van de tien belangrijkste kapitalistische industrielanden met $ 130 miljard nauwelijks boven de helft van de omzet van de buitenlandse filialen en in het buitenland producerende takken van concerns van hetzelfde land ($ 240 miljard). In 1971 moeten de multinationale concerns in hun dochterondernemingen buiten het moederland voor ca. $ 300 miljard goederen hebben geproduceerd; dat is meer dan de totale omvang van de wereldhandel.[34] Volgens Magdoff was in 1965 22 % van de winsten van de Amerikaanse concerns door deelnemingen in het buitenland geproduceerd.[35] Aan het begin van 1972 werd de totale afzet van alle als multinationaal geclassificeerde concerns op $ 300 à 400 miljard geschat (al naargelang het gebruikte criterium) — d.w.z. op ca. 15 à 20 % van het bruto nationaal product van de kapitalistische wereld.[36] Omdat de groei van die omzet de laatste 10 jaar twee keer zo groot was als die van het bruto nationaal product, zou — als de huidige tendens doorzet (wat onwaarschijnlijk is) — dit aandeel de volgende 10 jaar tot 28 à 40 % stijgen.

Als wij spreken over een tendens tot internationale centralisatie van het kapitaal, moeten wij verschillende vormen onderscheiden en het begrip ‘multinationaal concern’ nauwkeuriger omschrijven resp. relativeren. Centralisatie van het kapitaal betekent centralisatie van de bevelsmacht, d.w.z. van de beschikkingsmacht over productiemiddelen, dus gecentraliseerd privébezit. In dit verband is het van weinig belang of er een internationale spreiding van het aandelenbezit van kleine of middelgrote aandeelhouders plaatsvindt. De kapitalistische nv en het monopoliekapitaal in het algemeen worden immers juist gekenmerkt door het feit dat het bezit van grote kapitalen de beschikkingsmacht over nog grotere kapitalen impliceert.

Internationale centralisatie van het kapitaal betekent dus centrale bevelsmacht over kapitalen van verschillende nationale herkomst en controle. Die centralisatie kan zich in twee hoofdvormen voordoen: ofwel komen concerns of grote bedrijven van verschillende nationale imperialistische bezitters onder controle van één enkele imperialistische klasse (zoals bijv. bij de overname van Machines Buil door General Electric, van de Phönix-Werke door Firestone, van het Belgische concern ACEC door Westinghouse enz.) ofwel worden concerns en grote bedrijven van verschillende nationale bezitters tot één internationaal concern vervlochten, zonder dat de controle erover aan kapitaalbezitters van één enkele macht ten deel valt, zoals bijv. het geval is bij de samensmelting Agfa-Gevaert, bij de samensmelting IJmuiden-Hoesch-Dortmund-Hoerder-Hütten-Union, bij de samensmelting Dunlop-Pirelli of bij de samensmelting AEG-Zanussi en VFW-Fokker.[37]

De grote Amerikaanse concerns, die in een groot aantal landen filialen oprichten (zoals bijv. General Motors, Ford, Esso Standard, Texaco, Westinghouse, GE, IBM enz.), vallen vanzelfsprekend buiten het gebied van de eigenlijke internationale kapitaalvervlechting, omdat zij zowel qua herkomst als qua kapitaalcontrole nationaal blijven. Bij deze concerns kan men, evenals bij de klassieke Britse concerns uit de tijd van het Empire, wel van internationale concentratie van kapitaal spreken, omdat ongetwijfeld een toenemend deel van het geaccumuleerde kapitaal afkomstig is van meerwaardeproductie en realisering buiten het oorspronkelijke moederland,[38] zonder dat dit voortspruit uit een internationale centralisatie van het kapitaal. Alleen waar die concerns bij hun internationale activiteit in verschillende landen firma’s en bedrijven overnemen, vindt er een dergelijke internationale centralisatie van het kapitaal plaats.

Om het probleem van de ontwikkelingstendensen op lange termijn van de internationale centralisatie van het kapitaal en zijn verhouding tot de laatburgerlijke staat te verduidelijken, moet een nauwkeurig onderscheid worden gemaakt tussen de internationalisering van de realisering van de meerwaarde (de afzet van waren), de internationalisering van de meerwaardeproductie (de voortbrengst van waren), de internationalisering van de aankoop van waar arbeidskracht (resp. van de voor die waar specifieke markt) en de internationalisering van de bevelsmacht over het kapitaal, die in laatste instantie steeds op de internationalisering van het kapitaalbezit berust.

Internationalisering van de meerwaarderealisering, d.w.z. van de warenafzet, is een tendens die eigen is aan de kapitalistische productiewijze, maar die zich in de geschiedenis van die productiewijze op verschillende manieren ontplooit. Men kan zeggen, dat die internationalisering globaal steeg vanaf het begin van de 19de eeuw tot vlak voor de Eerste Wereldoorlog (d.w.z. dat de uitvoer een groeiend deel van de industriële productie van de geïndustrialiseerde kapitalistische landen uitmaakte), tussen 1914 en 1945 afnam en in de laatkapitalistische periode weer toeneemt, waarbij overigens pas in de jaren ’60 het relatieve peil van vóór de Eerste Wereldoorlog (d.w.z. het relatieve exportaandeel per hoofd van de bevolking) werd overschreden.[39]

Internationalisering van de meerwaardeproductie in de verwerkende grootindustrie — buiten de sfeer van de grondstoffenproductie — heeft zich in het verleden slechts marginaal voorgedaan en is het eigenlijk nieuwe en specifieke element van de internationale centralisatie van het kapitaal in het laatkapitalisme. De meeste grote concerns investeren tegenwoordig in vele landen van de wereld constant en variabel kapitaal, hetzij in direct door hen gecontroleerde filialen, hetzij in joint ventures met andere concerns, hetzij in door buitenlandse firma’s in vreemde landen opgerichte en later door hen opgekochte bedrijven, hetzij in met buitenlandse concerns vervlochten grote multinationale concerns. De ontwikkeling in die richting, die onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog vooral door de Amerikaanse olie-, auto- en elektrische apparatenindustrie op gang werd gebracht, is tegenwoordig een algemeen verschijnsel geworden dat de concurrentie van het kapitaal voor het eerst werkelijk in een rechtstreeks internationaal kader plaatst (vgl. het internationale kader, waarin zich de concurrentie tussen de voornaamste Amerikaanse computerconcerns uit de elektronische industrie afspeelt).[40]

Internationalisering van de aankoop van de waar arbeidskracht is een onvermijdelijk resultaat van de internationalisering van de meerwaardeproductie, maar valt daar niet mechanisch mee samen. Enerzijds kan zich productie in het buitenland voordoen zonder aanzienlijke inzet van buitenlandse arbeidskracht, vooral in de sterk vertechniseerde en geautomatiseerde industrietakken resp. -bedrijven. Anderzijds bestaan er grote internationale bewegingen van mensen die een arbeidsplaats zoeken, die niet noodzakelijk gepaard gaan met een internationalisering van de productie-eenheden en het bezit ervan (vgl. de massale beweging van Italiaanse, Spaanse, Griekse, Portugese, Turkse en Marokkaanse arbeidskrachten naar West-Europa, vooral naar de EEG, zonder dat daardoor enige verandering komt in de eigendomsverhoudingen in de West-Europese industrie). In zekere zin zijn beide bewegingen, de internationale mobiliteit van het kapitaal en de internationale mobiliteit van de arbeidskracht, in het tijdperk van het laatkapitalisme (in tegenstelling tot hun tendens in het vroegkapitalisme) niet parallel of complementair, maar gaan ze tegen elkaar in. Er stroomt arbeidskracht uit de minder ontwikkelde randgebieden naar de geïndustrialiseerde kern van West-Europa, juist omdat het kapitaal niet (of niet voldoende) van die kern naar de randgebieden vloeit.[41]

Internationalisering van de zeggenschap over kapitaal, feitelijke internationale centralisatie van het kapitaal, betekent steeds overdracht van eigendom, van het ene land naar het andere of van één nationale groep van kapitaalbezitters naar verschillende groepen. Ook hier domineert de wet van de ongelijke en gecombineerde ontwikkeling. De internationale centralisatie van het kapitaal valt noch met de internationalisering van de productie noch met die van de producenten, noch met die van de warenverkoop noodzakelijk of mechanisch samen. Alleen wanneer de internationalisering van de productie leidt tot internationalisering, d.w.z. internationale verandering van het kapitaalbezit, kan er inderdaad sprake zijn van internationalisering van de bevelsmacht over het kapitaal.[42] De materiële infrastructuur die zo’n feitelijke bevelsmacht mogelijk maakt, is pas door de derde technologische revolutie geschapen (telex- en andere moderne telecommunicatiesystemen; elektronische dataverwerking; straalvliegtuigverbindingen).

Wat betreft de verhouding tussen burgerlijke ‘nationale staat’ en internationale centralisatie van het kapitaal moeten drie varianten onderscheiden worden. Internationale centralisatie van het kapitaal kan verbonden zijn met internationale machtsuitbreiding van één enkele staat. Deze tendens die men al in de Eerste Wereldoorlog kon waarnemen en die zich tijdens en na de Tweede Wereldoorlog ontplooid heeft en het duidelijkst tot uiting kwam in de politieke en militaire hegemonie van het Amerikaanse imperialisme, correspondeerde fundamenteel met de eerste der beide hoofdvormen van de internationale centralisatie van het kapitaal, nl. die waarbij de beslissende controle van bezitters van één enkele nationale kapitalistenklasse zich uitstrekt over een toenemend deel van het internationale productieapparaat en waarbij buitenlandse kapitalisten hoogstens als junior partners participeren. De groeiende internationale macht van één enkele imperialistische staat valt samen met het overwicht van één enkele nationale groep kapitaalbezitters over het hele internationale kapitaal.

Internationale centralisatie van het kapitaal kan ook gepaard gaan met een stapsgewijze vermindering van de macht van burgerlijke nationale staten en met de opkomst van een nieuwe federale, supranationale burgerlijke staatsmacht. Deze variant, die minstens voor het West-Europese EEG-gebied (met of zonder Groot-Brittannië) mogelijk ofschoon niet zeer waarschijnlijk is, correspondeert met de tweede hoofdvorm van de internationale centralisatie van het kapitaal, de internationale kapitaalvervlechting zonder overheersing van een bijzondere groep van nationale kapitalen. Juist zoals binnen die multinationale concerns generlei hegemonie wordt geduld, kan ook de met die kapitaalvorm corresponderende staatsvorm op den duur noch de suprematie van één enkele burgerlijke nationale staat tegenover de andere, noch de losse confederatie van soevereine nationale staten zijn, maar alleen een door overdracht van beslissende soevereine rechten gekenmerkte supranationale bondsstaat.[43]

Het zou zeker een ernstige vergissing zijn om het louter economische element in dit verband te verabsoluteren en los te maken uit de totaalmaatschappelijke samenhang. De burgerlijke staat vertegenwoordigt niet alleen de directe economische belangen van de kapitaalbezitters of van de in elke fase van de kapitalistische productiewijze dominerende groep kapitaalbezitters. Hij kan die taak slechts efficiënt vervullen door zijn activiteit uit te breiden tot alle gebieden van de bovenbouw, wat zonder rekening te houden met nationale en culturele bijzonderheden op grote moeilijkheden stuit.[44] In het laatkapitalistische tijdperk treden de directe of indirecte economische functies van het burgerlijke staatsapparaat echter zozeer op de voorgrond — uitgesproken dwang tot controle over alle momenten van het maatschappelijke productie- en reproductieproces — dat een zekere arbeidsdeling tussen supranationale bondsstaat en nationale culturele activiteit het monopoliekapitaal onder bepaalde voorwaarden zeer wel als het kleinste kwaad kan voorkomen. Men mag niet vergeten, dat bijv. in de Verenigde Staten alle zaken van onderwijs, cultuur en godsdienst niet aan de bond, maar aan de afzonderlijke staten worden overgelaten, en dat de regeling van dergelijke aangelegenheden in verschillende talen mogelijk is (bijv. de kantonnale indeling van de Zwitserse bond).

De sterkste dwang tot de vorming van een supranationale, imperialistische staat in West-Europa — als de internationale centralisatie van het kapitaal inderdaad de overheersende vorm krijgt van internationale kapitaalvervlechting op Europees niveau, zonder hegemonie van één der nationale burgerlijke klassen - ontstaat juist uit de directe economische functie van de staat in het laatkapitalisme. Nationale economische programmering en multinationale kapitaalvervlechting zijn op den duur onverzoenbaar;[45] of de eerste zal — vooral tijdens crises en recessies — de tweede terugdringen, óf de tweede zal een internationale economische programmering in het leven roepen, die met haar structuur overeenstemt.[46]

Het probleem spitst zich toe tot de anticyclische economische politiek, tot de bestrijding van crises en recessies die de belangen van de multinationale concerns dient en die niet op nationaal, maar alleen op internationaal vlak te verwezenlijken is. En omdat de instrumenten van een dergelijke politiek liggen in de krediet-, begrotings-, belasting- en handelspolitiek, moet een anticyclische politiek die samenvalt met de belangen van de multinationaal vervlochten concerns beschikken over een gemeenschappelijke internationale valuta, een internationaal geüniformeerde krediet-, begrotings- en belastingpolitiek (de gemeenschappelijke internationale handelspolitiek is in de EEG al een feit). Maar een gemeenschappelijke valuta, een gemeenschappelijke begrotings- en belastingpolitiek en een gemeenschappelijke politiek van openbare werken om structurele veranderingen door te voeren[47], is op den duur onmogelijk zonder een bondsregering met fiscale en financiële autonomie en een uitvoerende repressieve macht die de autoriteit kan waarborgen, d.w.z. zonder een gemeenschappelijke staat. Multinationaal vervlochten grote concerns vereisen, terloops gezegd, ook een multinationale kapitaalmarkt, die het voortbestaan van nationale valuta, nationale kredietpolitiek en nationale begrotingen en belastingen steeds verder ondermijnt.[48]

De derde mogelijke variant van de verhouding tussen internationale centralisatie van het kapitaal en ontwikkeling van de laatkapitalistische staat is die van de relatieve onverschilligheid van de eerste tegenover de tweede. Het voorbeeld van Britse, Canadese en enkele Nederlandse grote concerns wordt dikwijls in dit verband genoemd;[49] men benadrukt het feit dat die concerns hun activiteit zodanig geïnternationaliseerd hebben, in zoveel landen meerwaarde laten voortbrengen of realiseren, dat ze tegenover de ontwikkeling van de economische en sociale conjunctuur in het moederland in hoge mate onverschillig zijn geworden.[50]

Zonder die tendens te willen ontkennen, kunnen we hem toch slechts als een tussenvorm beschouwen van de twee bovengenoemde varianten in de betrekking tussen de multinationale concerns en de laatkapitalistische staat. Want bij de operaties van de ‘staatsindifferente’ concerns moeten twee gevallen onderscheiden worden: het geval dat ze in landen opereren, waar de staatsmacht zo zwak is, dat die geen weerstand biedt tegen het zoeken naar extrawinsten (in dit geval kan het uiteindelijk alleen gaan om een door Brits kapitaal gecontroleerde, in feite halfkoloniale macht); en het geval dat ze in landen opereren, waar een van hen onafhankelijke staatsmacht in de economie intervenieert. Bij een verdere toespitsing van de internationale concurrentie en een verdergaande centralisatie van het kapitaal ontstaat in de eerste groep landen een groeiend belang bij het gebruik van de staatsmacht om de eigen belangen tegen concurrenten te verdedigen. In de tweede groep landen echter dreigen de posities van die ‘staatsindifferente’ concerns steeds meer verdrongen te worden door de concerns die de effectieve steun van een bepaald staatsapparaat genieten. Het is dan slechts een kwestie van tijd, vóór die concerns hun ‘staatsindifferente’ houding wijzigen en ofwel de staat van het eigen moederland ofwel de staat van de landen waar hun voornaamste operaties plaatsgrijpen, tot meegaandheid proberen te dwingen. Als die pogingen niet lukken, moeten die aanvankelijk ‘staatsindifferente’ concerns een hoge prijs betalen voor hun onderschatting van de rol van de staat in het laatkapitalisme: ze worden het slachtoffer van één van hun concurrenten.[51]

De enige belangrijke conclusie die uit de beschouwing van die derde variant voortvloeit is, dat de groeiende internationalisering van de meerwaardeproductie ook zonder internationalisering van het kapitaalbezit kan leiden tot een ‘denationalisering’ van een groot concern (wat betekent, dat een concern als Philips of British Petroleum, als dat een groot deel van zijn activiteiten naar Amerika zou verplaatsen, meer geïnteresseerd zou zijn in de Canadese en de Amerikaanse conjunctuur dan in de Britse of de Europese, zich dus voor de realisering van zijn economische belangen meer zou moeten bedienen van het Noord-Amerikaanse dan van het Britse staatsapparaat en uiteindelijk een deel zou kunnen worden van de burgerlijke klasse van de Verenigde Staten, eventueel door samensmelting met grote, ‘puur’ Noord-Amerikaanse concerns). In hoeverre een dergelijke ‘denationalisering’ waarschijnlijk is, kan hier niet verder onderzocht worden. Theoretisch is dat in elk geval mogelijk, maar leidt langs een omweg opnieuw tot de twee eerste varianten. Al degenen die, zoals Robert Rowthorn en vooral Charles Levinson, de multinationale concerns beschouwen als een soevereine macht tegenover de laatkapitalistische staat, gaan stilzwijgend uit van de in de jaren ’50 en ’60 populaire hypothese, dat het kapitaal geen rekening meer hoeft te houden met enige afzet- en realiseringsmoeilijkheden en zware sociale crises,[52] dat zijn investeringsactiviteit ook in tijden van ‘slechte conjunctuur’ ongestoord zou verdergaan,[53] dat het geen behoefte meer zou hebben aan staatsinterventie in de economie om zware conjuncturele en structurele crises en klassengevechten de baas te kunnen. Uit de recessie van 1966-1967 in de Bondsrepubliek, de Franse mei van 1968, de ‘hete herfst’ van 1969-1970 in Italië, de recessie van 1969-1971 de daarop volgende algemene recessie in alle imperialistische landen van 1974-1975 blijkt, hoe onrealistisch die hypothese was. De enige prognose die men uit deze ervaring kan afleiden is, dat multinationale concerns niet alleen behoefte hebben aan een staat, maar vooral aan een staat die sterker is dan de ‘klassieke’ nationale staat, om de economische en sociale tegenspraken die hun reusachtige kapitalen periodiek bedreigen, althans gedeeltelijk te kunnen overwinnen.

Uit die drie varianten van de mogelijke verhouding tussen internationale centralisatie van het kapitaal en laatburgerlijke staat resulteren voor de komende jaren en decennia drie mogelijke modellen voor de internationale structuur van de imperialistische metropolen.

1. Het model van het superimperialisme. In dit model bezit één enkele imperialistische grote mogendheid een zodanige hegemonie, dat de andere imperialistische staten tegenover die mogendheid iedere vorm van zelfstandigheid verliezen en tot de status van halfkoloniale kleine mogendheden afdalen. Een dergelijk proces kan op den duur niet alleen gebaseerd zijn op het militaire overwicht van het superimperialisme — concreet zou alleen het Amerikaanse imperialisme een dergelijke rol kunnen spelen — maar moet ook worden uitgebreid tot de directe controle (eigendom van de belangrijkste productiecentra en kapitalen, banken en andere financiële instellingen). Zonder een directe controle, d.w.z. zonder directe beschikkingsmacht over het kapitaal, bestaat er geen garantie dat de wet van de ongelijkmatige ontwikkeling op den duur de economische krachtsverhoudingen niet opnieuw in die zin wijzigt, dat ook de militaire heerschappij ondergraven wordt.

De aanhangers van deze stelling beschouwen de Amerikaanse internationale concerns daarom als de — potentiële of virtuele — beheersers van de wereldmarkt.[54] Ze betwijfelen of de Europese en Japanse grote concerns de Amerikaanse op lange termijn doeltreffend kunnen beconcurreren, bijv. door hun technologische achterstand, hun te geringe kapitaalkracht, hun achterstand inzake ‘management’ enz.[55], of ze twijfelen aan de politieke wil van de ‘louter economisch’ misschien competitieve Europese concerns om zich tegen de Amerikaanse te blijven verzetten op een manier, die het militaire en politieke centrum van het hedendaagse imperialisme en dus ook henzelf dodelijk zou kunnen treffen.[56] De bewering van Nicos Poulantzas, dat wij ons door fixeren op ‘territoriale’ gegevens af zouden sluiten voor een correcte beoordeling van de werkelijke krachtsverhoudingen — d.w.z. de macht van het vanuit de VS beheerste kapitaal in Europa toeschrijven aan het Europese in plaats van aan het Amerikaanse — is eenvoudig niet juist (nog afgezien van het feit, dat dergelijke berekeningen op wederzijdsheid moeten berusten: ook de door het Europese kapitaal buiten Europa gecontroleerde bedrijven zouden dan aan de macht van het Europese kapitaal toegevoegd moeten worden). Wij argumenteren op grond van de concurrentiebelangen van specifieke multinationale concerns en niet van ‘territoriale gebieden’: Philips, FIAT, ICI, Siemens, Rhône-Poulenc, British Petroleum, Bayer enz. zijn net zo min door Amerikaans kapitaal beheerst als Mitsubishi, Sumitomo, Matsushita, Nissan, Hitachi of Sony. En General Motors, General Electric, US Steel, Exxon enz. hebben niets te maken met Europees of Japans kapitaal.

2. Het model van het ultra-imperialisme. In dit model is de internationale kapitaalvervlechting zo ver gevorderd, dat alle doorslaggevende economische belangenverschillen tussen de kapitaalbezitters van verschillende nationaliteiten verdwenen zijn. Alle grote kapitalisten zouden het kapitaalbezit, de meerwaardeproductie en -realisering en de accumulatie van het kapitaal (nieuwe investeringen) zo gelijkmatig over verschillende werelddelen en landen verdeeld hebben, dat ze volkomen ongevoelig zouden zijn geworden voor de bijzondere conjunctuur van het een of andere land, de bijzondere ontwikkeling van de klassenstrijd en de ‘nationale’ eigenaardigheden in de politieke ontwikkeling van de een of andere ‘nationale staat’. Het is, terloops gezegd, evident, dat bij een dergelijke internationalisering van de imperialistische wereldeconomie ook de specifiek nationale conjunctuur vrijwel geheel zou verdwijnen. In dit geval zou er nog alleen maar concurrentie bestaan tussen multinationale superconcerns en geen inter-imperialistische concurrentie, d.w.z. de concurrentie zou van haar nationale basis zijn losgeweekt. Ook onder dergelijke omstandigheden zou de imperialistische staat natuurlijk niet ‘afsterven’; alleen zijn rol als instrument in de inter-imperialistische concurrentie zou verdwijnen. Zijn functie als verdedigingsinstrument van de gemeenschappelijke belangen van alle imperialistische kapitaalbezitters tegen de bedreiging door economische crises, de strijd van het proletariaat binnen de imperialistische landen zelf, de opstand van de koloniale volkeren en het bestaan van niet-kapitalistische staten zou daardoor onaangetast blijven. In dit geval zou het alleen niet meer om een imperialistische ‘nationale staat’ gaan, maar om een supranationale imperialistische ‘wereldstaat’. Sommige aanhangers van de stelling van de toenemende ‘onverschilligheid’ van de multinationale concerns tegenover de burgerlijke staatsmacht komen dicht bij deze opvatting van een groeiend ‘ultra-imperialisme’; dit geldt vooral voor Charles Levinson.[57]

3. Het model van een voortgezette inter-imperialistische concurrentie, waarin alleen de vormen veranderen. In dit model is de internationale kapitaalvervlechting ver genoeg gevorderd om het aantal zelfstandige imperialistische grote mogendheden door een kleiner aantal imperialistische supermachten te vervangen. Dat wordt echter door de ongelijkmatige ontwikkeling van het kapitaal zo sterk belemmerd, dat het tot stand komen van een mondiale belangengemeenschap van het kapitaal niet lukt. De kapitaalvervlechting zegeviert op continentaal niveau, waarbij de internationale imperialistische concurrentie des te scherper wordt. Het nieuwe aan die voortzetting van de inter-imperialistische concurrentie (in vergelijking met het klassieke imperialisme zoals Lenin dat geanalyseerd heeft) ligt hierin dat ten eerste slechts drie wereldmachten in de internationale imperialistische economie met elkaar geconfronteerd worden: het Amerikaanse imperialisme (dat Canada en Australië verregaand bezet heeft), het Japanse imperialisme[58] en het West-Europese imperialisme. Hierbij is de verdere ontwikkeling van het Japanse imperialisme (zelfstandigheid of fusie met de grote Amerikaanse concerns) waarschijnlijk doorslaggevend voor het uiteindelijke verloop van die concurrentiestrijd; ten tweede dat inter-imperialistische wereldoorlogen in de gegeven, voor het kapitaal ongunstige socio-politieke wereldconjunctuur uiterst onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk zijn geworden, ‘wat natuurlijk noch inter-imperialistische plaatselijke oorlogen “via tussenpersonen” (par parsonne interposée), noch koloniale roofoorlogen, noch contrarevolutionaire oorlogen tegen nationale bevrijdingsoorlogen, noch het gevaar van een Derde (atomaire) Wereldoorlog uitsluit.’

Zoals bekend heeft Karl Kautsky aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog als eerste op de mogelijkheid gewezen van een ‘ultra-imperialistisch vergelijk’ tussen alle wereldmachten;[59] Lenin heeft hem op dit punt sterk tegengesproken.[60] Martin Nikolaus heeft de auteur van dit boek verweten, ‘in Kautsky’s voetstappen’ te treden, omdat hij de mogelijkheid van een samensmelting van verschillende Europese imperialistische machten tot één Europese imperialistische supermacht onder ogen zag.[61] De analogie is echter zuiver formeel en niet inhoudelijk. Kautsky’s perspectief was een geleidelijke afzwakking van de imperialistische tegenstellingen, die tot het ‘ultra-imperialisme’ zou moeten leiden. Ons perspectief daarentegen is een verscherping van alle aan het imperialisme inherente tegenstellingen in het tijdperk van het laatkapitalisme: verscherpte tegenstelling tussen kapitaal en arbeid in de metropolen en de halfkolonies; verscherpte tegenstelling tussen imperialistische metropolen en koloniale en semi-koloniale landen; verscherpte inter-imperialistische concurrentie. Juist in het kader van die verscherping van de inter-imperialistische tegenstellingen doet zich noodzakelijk een tendens voor tot samensmelting van bepaalde imperialistische machten; anders zouden ze niet in staat zijn de concurrentiestrijd voort te zetten. Terwijl Kautsky’s analyse onvermijdelijk tot reformistische en apologetische conclusies leidde, legt onze analyse de nadruk op de zelfstandige revolutionaire taak van het proletariaat in de metropolen.[62]

Lenin heeft de mogelijkheid van een geleidelijke internationale concentratie en centralisatie van het kapitaal — inclusief de imperialistische grote mogendheden — niet alleen niet uitgesloten, maar zelfs uitdrukkelijk bevestigd. Hij was niettemin van mening dat het imperialisme, lang voordat die ontwikkeling dit eindpunt zou hebben bereikt, zowel onder de druk van zijn eigen interne tegenstellingen als van de revolutionaire activiteit van het proletariaat en de onderdrukte volkeren uiteengevallen zou zijn.[63] Wij delen deze mening en trekken er de conclusie uit, dat een samensmelting van de zelfstandige imperialistische machten tot drie ‘supermachten’ op de weg naar de ‘ene wereldtrust’ door een vertraging van de proletarische revolutie in de imperialistische metropolen mogelijk, om niet te zeggen waarschijnlijk blijft.

Van de drie beschreven modellen is het derde, tenminste wat de afzienbare toekomst betreft, veruit het waarschijnlijkste. In laatste instantie hangt de realisering van elk van die modellen af van de dominerende vormen der internationale centralisatie van het kapitaal, hoe groot het tijdelijke zelfstandige gewicht van militaire of politieke factoren ook mag zijn.

Het superimperialisme is slechts te verwezenlijken, als het monopoliekapitaal van de dominerende imperialistische macht het doorslaggevende kapitaalbezit tussen de belangrijkste potentiële concurrenten verwerft. Tot dusver is dit het Amerikaanse imperialisme noch in West-Europa noch in Japan gelukt. Het geldkapitaal van die landen is in hoge mate onafhankelijk van dat van de VS. De Amerikaanse banken spelen slechts een marginale rol in de economie van die landen. En hoewel het Amerikaanse bezit aan industriekapitaal groter is en vooral in groeisectoren dikwijls ver boven het gemiddelde ligt, overtreft het niet 10 à 15 % van de totale kapitaalinvesteringen. Er bestaat ook geen tendens tot een constante groei van dit aandeel, dat zich schijnt te stabiliseren. Er kan dus geen sprake van zijn, dat de West-Europese staten of de Japanse staat tot de status van halfkolonies zouden zijn afgedaald. Ze hebben ook een zelfstandige commerciële, buitenlandse en militaire politiek, zij het dan in het kader van een gemeenschappelijk verbond tegen gemeenschappelijke klassetegenstanders, wat volstrekt in overeenstemming is met de gemeenschappelijke belangen van alle imperialistische klassen en geenszins met de particuliere belangen van het Amerikaanse imperialisme alleen. Er moet zelfs op gewezen worden, dat de krachtsverhoudingen tussen het Amerikaanse imperialisme en de West-Europese en Japanse imperialisme sinds het begin van de jaren ’50 ten nadele van de eerste en ten voordele van de tweede gewijzigd zijn.[64]

Ontwikkeling van de krachtsverhoudingen tussen de VS, West-Europa en Japan [65]

Aandeel in de totale industriële productie van de kapitalistische wereld

195319631970
VS52 %44 %40,5 %
EEG16 %21,1 %22 %
Groot-Brittannië10 %6,4 %5 %
Japan2 %5,3 %9,5 %

Aandeel in de totale kapitalistische wereldexport

195319631970
VS21 %17 %15,5 %
EEG19,3 %27,8 %32 %
Groot-Brittannië9,7 %8,7 %7 %
Japan1,7 %4 %7 %

Aandeel in de totale goud- en deviezenreserve van de kapitalistische wereld

195319631973 (febr.)
VS43 %25 %8,3 %
EEG11,5 %29,5 %37 %
Groot-Brittannië5 %4,3 %3,5 %
Japan1,5 %3 %11,2 %

Aandeel in de totale buitenlandse investeringen van de kapitalistische wereld

19601971
VS59,1 %52 %
Groot-Brittannië24,5 %14,5 %
Frankrijk4,7 %5,8 %
Bondsrepubliek1,1 %4,4 %
Japan0,1 %2,7 %
Zwitserland4,1 %
Canada3,6 %
Nederland2,2 %
Zweden2,1 %
België2 %
Italië2 %

Maar de ontwikkeling is op dit punt nog niet afgesloten. De sinds enkele jaren waarneembare verscherping van de internationale concurrentie van het kapitaal moet vroeg of laat een nieuw, kwalitatief hoger niveau van internationale centralisatie van het kapitaal bereiken.[66] Het aantal belangrijke internationale concerns wordt tegenwoordig op 800 geschat. Perlmutter heeft voorspeld, dat in 1985 ongeveer 300 van dergelijke concerns de kapitalistische wereldmarkt zullen beheersen.[67] En Robert Lattes spreekt over 60 multinationale concerns die de wereldmarkt onder elkaar zullen verdelen. Zal het hierbij alleen om Amerikaanse concerns gaan, of om Amerikaanse concerns enerzijds, Europese en Japanse concerns of Europese, Japans-Europese en Japans-Amerikaanse concerns anderzijds? Het antwoord op die vraag zou de waarschijnlijkheid of onwaarschijnlijkheid van het model van het superimperialisme wel eens beslissend kunnen beïnvloeden. Alles zal ervan afhangen, of de eerste dan wel de tweede hoofdvorm der internationale centralisatie van het kapitaal zich doorzet, aangenomen dat de proletarische revolutie in de metropolen nog langer uitblijft.[68]

Het is duidelijk, dat de Amerikaanse multinationale concerns in die nieuwe fase van toegespitste concurrentiestrijd twee beslissende voordelen hebben tegenover hun concurrenten: ze zijn gemiddeld veel kapitaalkrachtiger (drie- tot viermaal zoveel als hun voornaamste concurrent) en beschikken over een sterkere staat. De West-Europese en Japanse concurrenten van die concerns hebben slechts een overlevingskans als zelfstandige formaties, als ze op hun beurt een internationaal samensmeltingsproces doorlopen, een niveau van kapitaalbezit en productiecapaciteit bereiken, gelijkwaardig aan dat van hun grootste Amerikaanse concurrenten, en als ze tenminste in West-Europa een bondsstaat oprichten die politiek en militair tegen de Verenigde Staten opweegt. Waarschijnlijk zal het lot van de EEG in de twee volgende recessies beslissen over de mogelijkheid of onmogelijkheid van een zelfstandige West-Europese supermacht, d.w.z. over de onmogelijkheid of mogelijkheid van de verwezenlijking van het Amerikaanse superimperialisme.

De realisering van het ultra-imperialistische model veronderstelt een veel hogere graad van internationale centralisatie van het kapitaal dan zich tegenwoordig aftekent en veronderstelt vooral een massale deelname van grote Europese en Japanse aandeelhouders aan het beheer van de voornaamste Amerikaanse concerns, die het Amerikaanse aandeel in dat concernbezit tot een relatieve minderheidsparticipatie zou reduceren, hetgeen op dit moment nog onwaarschijnlijker lijkt dan een parallelle beperking van de eigendom van grote Europese aandeelhouders in de belangrijkste Europese en van grote Japanse aandeelhouders in de belangrijkste Japanse concerns.[69]

Zeker is de snelle uitbreiding van de Europese en Japanse uitvoer naar de Amerikaanse binnenlandse markt — die tegenwoordig op de wereldmarkt dezelfde centrale rol speelt als de Britse binnenlandse markt tussen 1780 en 1880 — tendentieel verbonden met een uitbreiding van de Europese en Japanse kapitaalinvesteringen in de VS die, ook al hebben ze nog lang niet de betekenis van de investeringen van Amerikaans kapitaal in West-Europa, beslist niet onbelangrijk zijn. Zeker bestaan er door de Wereldbank en andere internationale organisaties van het grootkapitaal bevorderde gemeenschappelijke projecten die uitgaan van de belangrijkste grote wereldconcerns. Behalve de directe investeringen van Europese grote concerns in de VS moeten wij wijzen op enkele versmeltingen die nogal opzien hebben gebaard, zoals de feitelijke controle die British Petroleum verwierf over belangrijke delen van de Alaska-olie en de Standard Oil of Ohio; de feitelijke overname van de afdeling wegenbouwmachines van Alls-Chambers door FIAT; het opkopen van Wyandotte Chemicals door BASF, van International Salt door AKZO en van Underwood door Olivetti. Zeker bestaan er bewuste pogingen — van de voorvechters van de Atlantische Gemeenschap — om te komen tot een nauwe belangenvervlechting van het grootkapitaal van op zijn minst Europa en Noord-Amerika. Maar de onverbiddelijke wet van de concurrentie is sterker dan politiek inzicht en opvattingen van de wereldburgerschap. In de zich toespitsende internationale concurrentiestrijd gaat de hoofdtendens niet in de richting van een mondiale samensmelting van het grootkapitaal, maar van een consolidering van de tegenstellingen tussen verschillende imperialistische formaties.

Het model van de voortdurende inter-imperialistische concurrentie lijkt dus het meest waarschijnlijke en realistische model van de drie, zij het ook op voorwaarde dat de internationale kapitaalvervlechting in West-Europa en Japan snel genoeg geschiedt om de zelfstandigheid van de imperialistische klassen tegenover het VS-imperialisme te waarborgen.[70] De grotere waarschijnlijkheid van dit derde model hangt af van de vraag, of de tweede hoofdvorm van de internationale centralisatie zich tegenover de eerste kan handhaven en ten dele doorzetten, m.a.w. of de internationale centralisatie van het kapitaal zich in de komende decennia zal voordoen als een combinatie van enerzijds door de VS beheerste en anderzijds internationaal vervlochten, multinationale concerns.

Hierbij is de tendens tot belangengemeenschap en wederzijdse participatie van het Europese geldkapitaal bijzonder belangrijk. Tot dusver is dit de dominerende tendens — en niet, zoals Levinson meent,[71] de tendens tot belangengemeenschap van Europese en Amerikaanse grote banken en financiersgroepen. Van de vier belangrijkste multinationale financiële belangengemeenschappen zijn er twee louter Europees: de European Banks’ International Company (Midland Bank, Deutsche Bank, de Belgische Société Générale de Banque, Amsterdam-Rotterdam Bank), die o.a. de Banque Européenne de Crédit Moyen, een gemeenschappelijke bank en financieringsmaatschappij in de VS, de European-American Banking Corporation en de European-American Bank and Trust Cy., evenals een gemeenschappelijke onderneming in de Stille Oceaan, de Euro-Pacific Finance Corporation (Australië, Indonesië en Zuid-Afrika) heeft opgericht; de CCB-Gruppe, die de Commerzbank, de Crédit Lyonnais en de Banco di Roma tot aan de rand van een samensmelting verenigt, die men banden met de Londense Lloyds Bank toeschrijft en waartoe de Spaanse bank Banco Hispano-Americano toetrad. De derde groep, de Société Financière Européenne, heeft wel een Amerikaanse partner, de Bank of America, maar die speelt slechts een ondergeschikte rol. Ook die groep is hoofdzakelijk Europees en verenigt de Barclay’s Bank, de Algemene Bank Nederland, de Dresdner Bank, de Banque de Bruxelles, de Banca Nazionale del Lavoro, en de Banque Nationale de Paris. De totale balans van die banken overtreft de $ 80 miljard — is dus groter dan die van om het even welke andere bank of financiersgroep ter wereld. Deze groep heeft — zonder de Bank of America! — samen met Latijns-Amerikaanse banken een consortium gesticht dat op dit continent werkzaam is, de Euro-Latinamerican Bank Ltd. (Eulabank). Alleen de vierde groep, de Orion-groep, kan als niet-Europees gekenmerkt worden. Naast de Chase Manhattan Bank (VS) omvat hij de Royal Bank of Canada, de National Westminster Bank (Groot-Brittannië) en de Westdeutsche Landesbank. In 1970 kwam een vijfde belangrijk bankconsortium tot stand, de United International Bank, door de Banco di Roma, de Nederlandse bank Mees & Hope, de Bank of Nova Scotia, de Bayrische Hypotheken- und Wechselbank, de Banque Française du Commerce Extérieur en de Crédit du Nord. Aan dit consortium neemt ook een Amerikaanse bank deel (de Crocker-Citizens National Bank), maar met een onbelangrijk aandeel van 14,3 %. Ook Europese koopmansbanken werken steeds meer samen, getuige de kort geleden gesloten samenwerkingsverdragen tussen de Paribas en Warburg & Co. Ltd. en tussen de Compagnie Financière de Suez en Morgan Grenfell Holding Ltd. In het voorjaar van 1974 stichtten de Paribas, de Schweizerische Kreditanstalt en de Société Générale (Frankrijk) een financieringsmaatschappij voor grote energieprojecten, de Finerg, waar zich ook de Belgische Société Générale de Banque, de Midland Bank en de AMRO-Bank bij aansloten. Het hoofdkenmerk van die multinationale financiersgroepen is hun vermogen om de grote multinationale concerns krediet te verlenen.[72] Ze zijn dus tegelijkertijd product van de internationale centralisatie van het kapitaal en van de tendens tot vorming van een feitelijke internationale kapitaalmarkt.[73]

Het is waar dat de directe internationale kapitaalvervlechting in de EEG tot dusver maar langzaam verloopt. Tussen 1961 en 1969 waren er in de EEG-landen in totaal 257 fusies tussen firma’s uit verschillende lidstaten van de EEG, tegen 820 tussen firma’s uit lidstaten en derde landen en 1861 tussen firma’s van dezelfde lidstaat. De juridische en organisatorische moeilijkheden — die in laatste instantie samenhangen met het ontbreken van een West-Europese bondsstaat — spelen daarbij een rol. Onder deze voorwaarden vervangt de binnen-Europese samenwerking tussen firma’s voorlopig nog de kapitaalvervlechting als belangrijkste tendens in de industrie. Voorbeelden daarvan zijn o.a. Unidata, het computerconsortium waarin Philips (Nederland), Siemens (Bondsrepubliek) en CII (Frankrijk) samenwerken, de beide consortia voor de bouw van uraniumverrijkingsfabrieken, Eurodif en Urenco, enz.

Hoe trager de groei van de internationale imperialistische economie wordt, des te scherper de maatschappelijke tegenstellingen in de schoot van de voornaamste imperialistische landen naar voren komen. Hoe meer de internationale concurrentie van het kapitaal zich toespitst, des te scherper de maatschappelijke tegenstellingen worden, en dus ook de pogingen van elke imperialistische klasse afzonderlijk om haar bijzondere tegenstellingen en moeilijkheden op te lossen ten koste van de eigen arbeiders en concurrenten, d.w.z. ze naar de concurrerende landen te exporteren. Het resultaat van de klassenstrijd die zich in de komende jaren zal toespitsen, zal op zijn beurt mede bepalend zijn voor het tempo en de vorm van de internationale centralisatie van het kapitaal. Hoe meer de klassenstrijd overgaat van de zuivere verdelingsproblematiek van het nationale inkomen naar die van de beschikkingsmacht over de productiemiddelen en zich richt tegen de kapitalistische productieverhoudingen, des te zelfstandiger de positie van de arbeidersklasse wordt tegenover alle varianten van internationale centralisatie van het kapitaal, des te meer ze de politiek van het ‘kleinste kwaad’ uit de weg zal gaan en in de tegenstelling tussen de Amerikaanse hegemonie, de ‘Atlantische Gemeenschap’, de Europese bondsstaat als nieuwe imperialistische supermacht of als voortzetting van het Europese ‘kleinstatendom’, het eigen klassestandpunt zal handhaven: de Socialistische Verenigde Staten van Europa.

Want als de economische groei vertraagt en de internationale concurrentie zich toespitst, kan iedere duurzame oplossing van het probleem van de internationale centralisatie van het kapitaal slechts ten koste van de arbeidersklasse worden doorgevoerd. Iedere oplossing van die aard heeft nl. haar wortels in een plotselinge verhoging van de gemiddelde winstvoet in de gemonopoliseerde sector, en dat kan in de komende jaren slechts bereikt worden door een verhoging van de meerwaardevoet, d.w.z. door een verscherpte uitbuiting van de arbeidersklasse. Dat de West-Europese (en later de Noord-Amerikaanse en Japanse) arbeidersklasse zich tegen die verscherpte uitbuiting te weer zal stellen, blijkt uit de praktische ervaringen van de laatste vier jaar.

Vooral in de Verenigde Staten moet rekening worden gehouden met een verscherping van de strijd om de reële lonen. De Amerikaanse industrie kon het aanzienlijke loonverschil tientallen jaren lang verdragen dank zij een productiviteitsvoorsprong die tegenwoordig in vele sectoren aan het verdwijnen is. Tussen 1950 en 1965 steeg de gemiddelde arbeidsproductiviteit in de VS met 2,6 % per jaar tegen 4 % in Europa en 6,8 % in Japan. Tussen 1965 en 1969 veranderden deze groeipercentages in resp. 1,7 %, 4,501o en 10,6 %.[74] In 1973/1974 steeg de arbeidsproductiviteit in de VS helemaal niet meer. Onder deze omstandigheden heeft het Amerikaanse kapitaal een dwingend belang bij beperking van het loonkostenverschil. In 1968 lag de per capita productie in de Amerikaanse, Japanse en Belgische staalindustrie op hetzelfde niveau, terwijl de loonkosten per uur in de VS tweemaal zo hoog waren als in België en viermaal zo hoog als in Japan.[75]

De internationale centralisatie van het kapitaal moet gezien worden als een poging van het kapitaal om de historische beperkingen van de nationale staat te doorbreken, net zoals de nationale (en morgen supranationale) economische programmering een poging is om de beperkingen die privébezit en privétoeëigening aan de verdere ontplooiing van de productiekrachten stellen, gedeeltelijk te overwinnen. Die twee zijn, om met Marx te spreken, inspanningen om het kapitaal binnen de kapitalistische productiewijze zelf op te heffen.[76] Beide moeten derhalve de interne tegenstellingen van die productiewijze, in eerste instantie de tegenstelling tussen gebruikswaarde en ruilwaarde, die aan de basis ligt van alle tegenstellingen van de kapitalistische warenproductie, op een hoger niveau reproduceren.

In hoeverre de druk in de richting van een internationale kapitaal- en geldmarkt (die correspondeert met een groeiende internationale centralisatie van het kapitaal) in botsing moet komen met o.a. de economische programmering en anticyclische politiek op nationaal niveau en op die manier de crisisgevoeligheid van de laatkapitalistische economie na een eerste fase van uitzonderlijke groei duidelijk vergroot, zullen we in de hoofdstukken 13 en 14 van dit boek onderzoeken.


[1] ‘De wereldmarkt zelf vormt de basis van die (kapitalistische) productiewijze. Anderzijds drijft de aan die productiewijze inherente noodzaak om op steeds grotere schaal te produceren, tot een voortdurende uitbreiding van de wereldmarkt, zodat de handel hier niet de industrie, maar de industrie voortdurend de handel omwentelt’ (K. Marx, Das Kapital III, pp. 345-346).
[2] Marx wijst er uitdrukkelijk op, dat de uitbreiding van de kapitalistische katoenindustrie in Groot-Brittannië de op slavenhandel en slavenarbeid berustende productiewijze op de plantages van de zuidelijke Amerikaanse staten als in een broeikas bevorderde (Das Kapital I, p. 467). Zie in dit verband ook Eric Williams, Capitalism and Slavery, Londen 1964, pp. 169-177, 186-191, 194-196.
[3] Het is interessant, dat Lenin in zijn notities bij Hilferdings Finanzkapital zijn definitie van financierskapitaal als bankkapitaal dat de industrie beheerst, als ontoereikend kritiseert en de interne ontwikkeling in de productiesfeer tot het uitgangspunt van zijn analyse maakt: ‘Ontwikkeling en groei van het grootkapitaal tot op een bepaald niveau, (...) rol van de banken (concentratie en socialisering). Monopoliekapitaal (overname van zo’n groot deel van een bepaalde industrietak, dat de concurrentie door het monopolie vervangen wordt). (...) Opdeling der aarde (...) (kolonies en invloedssferen)’ (V.I. Lenin, Hefte zum Imperialismus, Berlijn 1957, p. 317).
[4] Eugen Varga heeft in zijn gelijknamige boek als eerste het begrip ‘neergangsperiode van het kapitalisme’ gebruikt (Verlag der Kommunistischen Internationale, Hamburg 1922).
[5] Over de staatsgarantie voor de laatkapitalistische — vooral monopolistische — winst, zie Ernest Mandel, Marxistische Wirtschaftstheorie, pp. 522-530.
[6] Voor Egypte zie o.a. David Landes, Bankers and Pashas, Londen 1958. Voor Turkije zie o.a. Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey, Oxford University Press 1968, tweede druk, p. 452 e.v.
[7] ‘Bijgevolg liggen de wortels van de kapitalistische expansie zowel in de condities van de aankoop als in die van het productieproces zelf en in die van de verkoop. Hiermee hangen algemeen drie problemen samen: het probleem van de grondstoffenmarkten en de arbeidskracht, het probleem van de nieuwe investeringssferen van het kapitaal en tenslotte het probleem van de afzetmarkten’ (N. Bucharin, Der Imperialismus und die Akkumulation des Kapitals, pp. 111-112).
[8] Waar Boecharin de problematiek van de centralisatie van het kapitaal opwerpt, maakt hij aanvankelijk geen fundamenteel verschil tussen nationale en internationale centralisatie (Imperialismus und Weltwirtschaft, pp. 45-49, 59-62). Later drukt hij zich in deze kwestie duidelijker uit.
[9] Vgl. N. Bucharin, Imperialismus und Weltwirtschaft, p. 62; E. Varga, L. Mendelsohn (eds.), New Data for Lenin’s ‘Imperialism’, New York 1940, p. 167.
[10] Raymond Vernon, Sovereignty at Bay, Penguin Books, 1971, pp. 37, 40-41. — Christopher Tugendhat, The Multinationals, Penguin Books, 1973, p. 38.
[11] George W. Stocking, Myron W. Watkins, Cartels in Action, New York 1946, p. 431.
[12] N. Bucharin, Imperialismus und Weltwirtschaft, p. 62. — Boecharin citeert ook een karakteristieke zin uit Sartorius von Waltershausens klassieke boek over de wereldeconomie: ‘(...) Het is onwaarschijnlijk, dat er internationale ondernemingen met één productieleiding gesticht worden en levensvatbaar zijn’. Daarentegen zag Bernhard Harms (Volkswirtschaft und Weltwirtschaft, G. v. Fischer-Verlag, 1912) het begin van internationalisering terecht ook op het vlak van de productie.
[13] N. Bucharin, Imperialismus und Weltwirtschaft, pp. 63, 55 e.v.
[14] N. Bucharin, Imperialismus und Weltwirtschaft, pp. 131-135. Zie ook N. Bucharin, Ökonomik der Transformationsperiode, p. 10-13.
[15] A. J. Brown geeft de volgende interessante cijfers: een moderne hoogoven produceert voldoende ijzer voor een geïndustrialiseerde samenleving van één miljoen mensen; een modern staalbedrijf voor een samenleving van twee tot drie miljoen mensen; een moderne continuwalserij voor een gemeenschap van twintig miljoen mensen; een moderne continuwalserij voor speciale platen zoals breedband en gemagnetiseerde platen enz. voor een nog grotere bevolking (A. J. Brown, Introduction to the World Economy, Londen 1965, p. 125).
[16] A. J. Brown, pp. 126-127. Dit geldt niet alleen voor de eigenlijke productie-, maar ook voor de transportsfeer. Zo werd het containersysteem op de Noord-Atlantische route massaal ingevoerd door de Atlantic Container Line, die gevormd is door zes Europese scheepvaartmaatschappijen uit vier landen (Compagnie Générale Transatlantique, Cunard Line, Holland-Amerika-Lijn, Transatlantic Steamship Cy of Sweden, Swedish-America Line en Reederei Wallenius). Geen enkele nationale scheepvaartmaatschappij zou in staat geweest zijn om de kosten en het risico van die technologische omwenteling alleen te dragen.
[17] F.M. Scherer, ‘The Determination of Industrial Plant Sizes in Six Nations’, in: Review of Economics and Statistics, mei 1973, p. 14.
[18] Joachim Hirsch, Wissenschaftlich-technischer Fortschritt und politisches System, Suhrkamp, Frankfurt, tweede druk, p. 123 e.v. Geoffrey Kay, p. 76.
[19] E. Mandel, Marxistische Wirtschaftstheorie, pp. 535-548.
[20] De voor deze trend belangrijkste verschijningsvorm van het laatkapitalisme vormen de zgn. ‘conglomerates’. Een grondig onderzoek daarover verscheen in de American Economic Review nr. 2, vol. 11, mei 1971. Zie ook W.F. Mueller, ‘A Theory of Conglomerate Mergers’, in: Quarterly Journal of Economics, november 1969. De bedrijfsfusies in de VS leidden in de periode 1965-1969 in meer dan 80 % van de gevallen tot het ontstaan van ‘conglomerates’, tegen 52 % in de periode 1948-1953 (Anne-Marie Kumps, Michel Cardon de Lichtbuer, ‘La concentration conglomérate,’ in: Reflets et perspectives de la vie économique, nr. 2, 1971).
[21] Neue Zürcher Zeitung, 29 juni 1969; Entreprise, 31 maart 1972.
[22] Stephen H. Hymer, ‘The Efficiency (Contradictions) of Multinational Corporations’, in: The American Economic Review, mei 1970, vol. 60, nr. 2, p. 445.
[23] J. Backman, The Economics of the Chemical Industry, Manufacturing Chemists’ Association, Washington, 1970, p. 215.
[24] Charles P. Kindleberger, American Business Abroad, benadrukt dat een al hoge nationale concentratiegraad van de industrietak en door merkidentificatie voortgebrachte internationale afzetmogelijkheden twee voorwaarden zijn voor een snelle ontplooiing van de internationale actieradius van de grote concerns (p. 14). Dit geeft een antwoord op Robert L. Heilbroners vraag, waarom de ‘internationale productie’ wel in de glas- en automobielsector, maar niet in die van de werktuigen en de scheepsbouw wijd verbreid is (Robert L. Heilbroner, ‘The Multinational Corporation and the Nation-State’, in: The New York Review of Books, 11 februari 1971).
[25] Charles P. Kindleberger, Europe’s Post war Growth, p. 114. Raymond Vernon, pp. 71-82.
[26] ‘(Aan het einde van de jaren ’60) benutte Bendix de goedkope arbeidskracht op Taiwan om autoradio’s voor de wereldmarkt te assembleren. Ford maakte bumpers in Nederland voor zijn autoproductie in de rest van Europa, tractoronderdelen in Duitsland en motoren voor kleine modellen in Groot-Brittannië voor gebruik in de Amerikaanse assemblagebedrijven. Singer sleepte zijn vele naaimachinemodellen en -fabricaten heen en weer tussen Schotland, Canada, Japan en de VS, en concentreerde de productie van de verschillende types op plaatsen waar de markten en factorkosten het aantrekkelijkst waren’ (Raymond Vernon, p. 110. — Zie soortgelijke voorbeelden in Christopher Tugendhat, pp. 139, 142, 142 e.v.).
[27] Voor een grondig onderzoek van die problematiek, zie ons boek: Die EWG und die Konkurrenz Europa-Amerika, Frankfurt 1968. De snelle groei van de Japanse kapitaalexport is de laatste jaren bijzonder indrukwekkend. Vóór 1967 kwam deze niet boven het gemiddelde van $ 100 à 200 miljoen per jaar, maar steeg met één sprong tot 400 miljoen in 1968, 670 miljoen in 1969, 913 miljoen in 1970 en tot meer dan één miljard in 1971. De totale waarde van de Japanse investeringen in het buitenland heeft tegenwoordig vermoedelijk al de $ 6 miljard bereikt. De totale Japanse buitenlandse investeringen liggen tegenwoordig al boven de $ 10 miljard. De Europese directe investeringen in de VS stegen van $ 6 miljard in 1966 tot $ 10 miljard in 1971, de Europese langlopende indirecte investeringen van $ 11,5 miljard in 1966 tot $ 26 miljard in 1971.
[28] Charles P. Kindleberger, American Business Abroad, pp. 188-189. — Charles Levinson, p. 38, 58-59 enz.
[29] Over het multinationale concern als resultaat van de interne ontwikkeling van de grote kapitalistische onderneming, zie Stephen H. Hymer, pp. 442-443; Alfred D. Chandler, Strategy and Structure, pp. 42-51, 324 e.v. Beide auteurs schrijven de al in de jaren ’30 tot stand gekomen, maar pas na de Tweede Wereldoorlog algemener wordende ‘multidivisional corporation’ een beslissende rol toe als tussenschakel tussen het ‘nationale’ en het ‘internationale’ concern.
[30] Neue Zürcher Zeitung, 25 september 1971. Zie soortgelijke verklaringen van vertegenwoordigers van de firma’s Pfizer & Co. en Du Pont, in Tugendhat, pp. 55-56.
[31] Sidney E. Rolfe, Walter Danim (eds.), The Multinational Corporation in the World Economy, New York 1970, p. 17.
[32] Kenneth Simmonds, p. 49, in: Courtney Brown, World Business, Promise and Problems, New York 1969.
[33] Christopher Tugendhat, p. 21.
[34] Robert L. Heilbroner, p. 21; H. Magdoff, p. 159.
[35] De laagste schatting is afkomstig van Norman Macrae (‘The Future of International Business’; in: The Economist, 22 januari 1972), de hoogste van de grote Amerikaanse kapitalist Arthur Ross (‘Trends bei multinationalen Konzernen’, in: Gottlieb Duttweiler-Institut-Topics, derde jaargang, nr. 5, mei 1972).
[36] Een grensgeval van internationale kapitaalvervlechting zou zijn, als door internationale verkoop van aandelen de eigendomsverhoudingen zo ‘verdund’ zijn, dat de ‘oorspronkelijke nationaliteit’ de controle over het concern zou verliezen. Men beweert soms, dat dit voor het grote Zwitserse concern Nestlé en zelfs voor het Nederlandse concern Philips al het geval zou zijn. We zijn er niet zeker van of dit inderdaad juist is.
[37] Massale indirecte investeringen in buitenlandse waardepapieren, die niet gepaard gaan met beïnvloeding van (resp. beschikkingsmacht over) de betreffende concerns, zijn een voor het laatkapitalisme specifieke vorm van internationale concentratie van het kapitaal zonder internationale centralisatie (in de tijd van het ‘klassieke’ imperialisme was deze al in de kiem aanwezig). Zo bezaten in 1971 Europese kapitalisten in totaal voor $ 26 miljard aan waardepapieren in Amerikaanse firma’s, aan wier beheer ze niet deelnamen. Waar bij hen — voorlopig! — de indirecte investering overweegt, domineert bij de Amerikaanse kapitalisten de rechtstreekse investering in Europa.
[38] Volgens de schattingen van P. Lamartine Yates lag de wereldhandel per capita in 1937 7 % onder het niveau van 1913; voor de periode 1913-1963 schat hij de gemiddelde groei van die wereldhandel per capita per tien jaar op 8 %. Terwijl het aandeel van de export in de wereldproductie echter een eeuw lang steeg (het moet gestegen zijn van 3 % in 1800 tot 33 % in 1913), was na de langdurige daling van dit aandeel tussen de beide wereldoorlogen ook in 1963 het exportaandeel van 1913 nog niet opnieuw bereikt (in 1963 lag het op 22 %) (Simon Kuznets, Quantitative Aspects of the Economic Growth of Nations, pp. 4-9).
[39] Al naar gelang de verhouding tussen de binnen- en buitenlandse productie, moet men een onderscheid maken tussen internationaal opererende nationale concerns en internationale concerns, en al naar gelang de eigendomsvoorwaarden tussen internationale (door kapitaal van één nationaliteit gecontroleerde) en multinationale concern (Charles P. Kindleberger, American Business Abroad, p. 180-184).
[40] Bij de massale Europese emigratie naar de zgn. blanke bevolkingskolonies in de 19de en aan het begin van de 20ste eeuw gingen arbeidskrachten en kapitalen in dezelfde richting, zij het ook in verschillende omvang en in een verschillend tempo. Datzelfde geldt (en gold) voor de Chinese en Japanse emigratie naar het gebied van de Stille Oceaan, voor de Indische emigratie naar Oost- en de Libanese emigratie naar West-Afrika evenals voor de kleinere emigratiebewegingen in het Middellandse Zeegebied (Grieken, Italianen enz.). Bij de huidige emigratie uit Oost- en Zuid-Europa naar West-Europa gaan arbeidskrachten en kapitalen echter in tegengestelde richting.
[41] Eigendom van kapitaal moet hier worden opgevat als beschikkingsmacht over het kapitaal, die zeer goed gebaseerd kan zijn op het bezit van betrekkelijk kleine minderheidsparticipaties in het totale kapitaal. Volgens Kindleberger bezitten de Amerikaanse concerns gemiddeld niet meer dan 60 % van het kapitaal van hun buitenlandse filialen (American Business Abroad, p. 31). Daartegenover staat, dat buitenlanders slechts 1,6 % van de 1.851 topposities in het beheer van de Amerikaanse concerns met aanzienlijke operaties in het buitenland bezetten. — Christopher Tugendhat zegt terecht: ‘Het meest in het oog springende kenmerk van de moderne multinationale onderneming is de centrale leiding. Hoe groot de onderneming ook mag zijn en hoeveel dochterondernemingen ook verspreid mogen zijn over de hele aardbol, alle operaties worden vanuit het centrum gecoördineerd’ (p. 31).
[42] Het verschil tussen statenbond en bondsstaat zou vooral tot uiting komen op het gebied van de monetaire, financiële en budgettaire soevereiniteit (zie beneden).
[43] De bijzondere nadruk op dit niet-economische bovenbouwmoment verklaart waarom de Franse gaullisten vasthouden aan het axioma van de Europese ‘Kleinstaaterei’ en zich verzetten tegen het ‘supranationalisme’ van de ‘zielloze eurocraten’.
[44] Daarom zijn we al verscheidene jaren van mening, dat de EEG nog niet definitief ‘onomkeerbaar’ is en ten onder zou kunnen gaan aan een zware algemene recessie.
[45] Dit moet op twee manieren worden opgevat: ten eerste kwantitatief, wat betreft een economische programmering, die grote hoeveelheden staatsmiddelen anticyclisch in beweging zou kunnen zetten om tegemoet te komen aan eventuele valoriserings- en afzetmoeilijkheden van grote concerns als Siemens, Philips. FIAT, ICI enz.; ten tweede kwalitatief wat betreft een economische programmering, die zich niet zou bekommeren om bijzondere regionale belangen, die ingaan tegen die van de grote multinationale concerns.
[46] Al in 1958 wees Tibor Scitovsky op de onvermijdelijke structurele en werkgelegenheidscrises, die uit de oprichting van de EEG zouden voortvloeien, en achtte hij een gemeenschappelijke werkgelegenheids- en infrastructurele politiek (resp. een politiek van openbare werken) in het EEG-gebied op den duur onvermijdelijk (Economic Theory and Western European Integration, Londen, 1967, pp. 97-98.
[47] Op de rol van de multinationale concerns bij het doorkruisen van nationale pogingen tot stabilisering van rente en geldwaarde, hebben al veel auteurs gewezen. Zie o.a. Charles Levinson, pp. 37-38, 76-78; Tugendhat, p. 161 e.v. In hoofdstuk 13 en 14 van dit boek gaan wij op deze problematiek nader in.
[48] Robert Rowthorn (in samenwerking met Stephen Hymer), International Big Business 1957-1967, Cambridge University Press, pp. 62-63, 74. Christian Palloix, Firmes multinationales et analyse du capitalisme, Grenoble 1971 (stencil).
[49] Zie o.a. Robert Rowthorn, ‘Imperialism: Unity of Rivalry?’, in: New Left Review, nr. 69 (sept.-okt. 1971), pp. 46-47. — Robin Murray, ‘Internationalization of Capital and the Nation-State’, in: New Left Review, nr. 67 (mei-juni 1971), pp. 104-108, ziet de tegenspraak in en concludeert het ontstaan van een toenemende onstabiliteit van het laatkapitalisme, zonder te stellen dat de grote concerns daarom een adequate staatsmacht moeten zoeken.
[50] Zo konden in het recessiejaar 1974 zelfs grote concerns in de autobranche als British Leyland, Citroen of in de oliebranche Birma Oil door massieve steun van ‘hun’ regeringen vlak voor het bankroet worden gered. Het gaat hier om concerns die nog juist binnen de actieradius van afzonderlijke imperialistische staten liggen. Om echter multinationale concerns als FIAT, Philips, Siemens, ICI of Rhône-Poulenc voor ineenstorting te redden zouden de geldmiddelen van de Franse, Italiaanse, Britse, laat staan Nederlandse staat niet meer voldoende zijn.
[51] Zie voor dit probleem de hoofdstukken 15 en 17 van dit boek.
[52] Zie o.a. Levinson, pp. 27, 125, enz.
[53] O.a. Baran, Sweezy, Monopoly Capital; Harry Magdoff, The Age of Imperialism.
[54] Dit is de waarschuwing van Servan-Schreibers Le défi américain ... voor het geval een aaneensluiting van het Europese kapitaal op zich laat wachten en de politieke eenwording van West-Europa mislukt.
[55] Deze stelling verdedigt Martin Nikolaus in zijn polemiek tegen de auteur van dit boek (Die Objektivität des Imperialismus, Berlijn 1971).
[56] Charles Levinson, p. 122 e.v.
[57] Over de groeiende rol van het Japanse imperialisme in de gebieden van de Stille Oceaan, zie Stephen Hymer, The United States Multinational Corporations and Japanese Competition in the Pacific, Vina del Mar, Chili, 27 sept., 3 okt. 1970. De auteur was zo vriendelijk ons het manuscript af te staan. Hermann Kahn (The Emerging Japanese Superstate, Londen 1971) behandelt hetzelfde thema, maar met de voor die auteur kenmerkende neiging tot ongebreidelde extrapolatie. Het Japanse kapitaal is de grootste buitenlandse kapitaalimporteur in Zuid-Korea (67 %), Thailand (37,3 % tegen 16 % uit de VS) en Singapore (Far Eastern Economic Review, 13 mei 1974).
[58] Karl Kautsky, ‘Der Imperialismus’, in: Die Neue Zeit, 11 sept. 1914: ‘Vanuit een louter economisch standpunt bekeken is het dus niet uitgesloten, dat het kapitalisme nog een nieuwe fase beleeft, de overdracht van de kartelpolitiek op de buitenlandse politiek, een fase van ultra-imperialisme, dat we natuurlijk even energiek zouden moeten bestrijden als het imperialisme, maar waarvan de gevaren op ander gebied zouden liggen, niet op dat van de bewapeningswedloop en de bedreiging van de wereldvrede’ (p. 921). — Zie ook K. Kautsky in: Die Neue Zeit, 16 februari 1917.
[59] Zie W.I.Lenin, Der Imperialismus als höchstes Stadium des Kapitalismus, p. 869 e.v.
[60] Martin Nikolaus, Die Objektivität des Imperialismus.
[61] Zie onze repliek op Martin Nikolaus: Die Widersprüche des Imperialismus, Berlijn 1971.
[62] ‘Er is geen twijfel over mogelijk, dat de ontwikkeling in de richting gaat van één enkele wereldtrust, die alle ondernemingen en alle staten zonder uitzondering omvat. Maar dat gebeurt onder zulke omstandigheden, in zulk een tempo en gaat gepaard met zulke tegenstellingen, conflicten en schokken — absoluut niet alleen van economische, maar ook van politieke en nationale aard, enz. — dat onherroepelijk, nog voor deze ene wereldtrust, deze “ultra-imperialistische” vereniging op wereldschaal van de nationale financierkapitalen tot stand komt, het imperialisme onvermijdelijk ineen zal storten, het kapitalisme in zijn tegendeel zal verkeren.’ W. I. Lenin, voorwoord bij Boecharins Imperialismus und Weltwirtschaft, p. 11.
[63] Voor empirische gegevens over deze verschuiving, zie onze brochure Die EWG und die Konkurrenz Europa-Amerika. Terwijl die gegevens vooral betrekking hebben op de productiecapaciteit, zien we sindsdien verschillen in ritme van de kapitaalexport, die o.a. in de Bondsrepubliek en Japan veel sneller toeneemt dan in de VS.
[64] De cijfers voor de EEG hebben alleen betrekking op de zes oorspronkelijke lidstaten. De eerste drie tabellen komen uit Michael Barrat-Brown, From Labourism to Socialism, Spokesman Book, 1972, p. 110, behalve de cijfers van februari 1973 voor de goud- en deviezenvoorraden die afkomstig zijn uit National Institute of Economic Review, mei 1973, p. 99. De vierde tabel is ontleend aan Magdoff, p. 56, voor de cijfers van 1960; de cijfers voor 1970 komen uit Nations Unies, Les societés multinationales et le développement mondial, New York 1973, p. 144.
[65] Het is overigens niet uitgesloten, dat in enkele sectoren van de zware industrie, die lijden aan een permanente overcapaciteit en een structurele crisis, een ‘wereldkartel’ gevormd zou kunnen worden om dumping en ‘overdreven’ investeringen te beteugelen, om met andere woorden de prijzen op de wereldmarkt te stabiliseren. We hebben hierbij vooral de staalindustrie op het oog.
[66] In: Interplay, november 1958, geciteerd in Robert Heilbroner, p. 22.
[67] Robert Lattes, Mille milliards de dollars, Parijs 1969, p. 10. — De auteur citeert een voorspelling van de National Industrial Conference Board in de Verenigde Staten, volgens welke in 1975 20 % van het Amerikaanse bruto nationaal product door Europese en Japanse en 25 % van het bruto nationaal product van West-Europa en Japan door Amerikaanse concerns gecontroleerd zal worden (pp. 37-38).
[68] In het kader van de toenemende ‘planetarisering’ van de activiteit van de internationale concerns dient erop gewezen te worden, dat sinds enige tijd Europese, vooral Duitse concerns productie-eenheden naar Oost-Azië (o.a. naar Singapore, Hongkong en Zuid-Korea) hebben verhuisd, om in de concurrentie met Japanse concerns het voordeel van goedkope arbeidskracht voor zichzelf te veroveren (zie Charles Levinson, p. 113 e.v.).
[69] Boecharin zag de betekenis van de internationale kapitaalvervlechting volledig in, alhoewel deze toen nog maar een randverschijnsel was: ‘Slechts in één geval kunnen we met zekerheid zeggen, dat er een belangensolidariteit ontstaat, en wel in het geval van de toename van de participaties en van de gemeenschappelijke financiering, d.w.z. wanneer als gevolg van het gemeenschappelijke bezit van waardepapieren kapitalisten uit verschillende landen collectief het bezit gaan uitoefenen over één en hetzelfde object’ (Imperialismus und Weltwirtschaft, p. 64).
[70] Charles Levinson, p. 131.
[71] Bv. kredieten van één miljard DM of meer. In 1969 gaf de Westdeutsche Landesbank zo’n krediet aan het Amerikaanse concern Dow Chemical. Hierover de heer Poullain, directeur van die bank: ‘Zoiets kon goed verdeeld worden; een deel zouden we zelf op ons kunnen nemen, een ander deel Orion. Dat zou ook het aangename gevolg hebben, dat de risico’s van één bank of groep banken van één land afgewenteld zouden worden. (...) De financiering van internationale projecten — onverschillig van welke grootte — wordt gemakkelijker’ (Capital, februari 1971).
[72] Michael von Clamm publiceerde in de Harvard Business Review (mei/juni 1971) een interessant overzicht onder de titel ‘The Rise of Consortium Banking’. In zijn lijst, die ca. 50 van zulke consortia omvat, zijn de Europese en gemengd Europees-Amerikaanse ongeveer in evenwicht, maar de Europese domineren sterk in de categorie van het hoogste consortiumkapitaal.
[73] Harvey Brooks, ‘What’s Happened to the US Lead in Technology?’, in: Harvard Business Review, mei/juni 1972.
[74] Tugendhat, pp. 105-121, 15-16.
[75] Internationaler Metallarbeiterbund, Alljährliche Erhebung über Lohn- und Arbeitsbedingungen, Production und Beschäftigte in den wichtigsten Zweigen der Metallindustrie, 1968, p. 12-13.
[76] K. Marx, Das Kapital III, p. 452.