Friedrich Engels

De toestand van de arbeidersklasse in Engeland

Naar eigen aanschouwingen en authentieke bronnen



Geschreven: 1844-45
Bron: Uitgeverij Progres, Moskou, 1976
Eerste versie: Leipzig, 1845
Vertaling: Uitgeverij Progres
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee voor het Marxists Internet Archive, januari 2008


Het boek De toestand van de arbeidersklasse in Engeland werd in de periode september 1844-maart 1845 door Friedrich Engels geschreven, na zijn terugkeer uit Engeland waar hij van 1842 tot 1844 woonde. De eerste uitgave van dit werk in de Duitse taal zag het licht in Leipzig in 1845. De tweede Duitse uitgave kwam in 1892 uit. Tevens verscheen de geautoriseerde vertaling van dit boek in 1887 in New York en in 1892 in Londen.
De hier aangeboden Nederlandse vertaling werd gedaan aan de hand van de door Engels herziene en verbeterde Duitse uitgave van 1892, die opgenomen werd in Verzamelde Werken van Marx en Engels (Werke, Dietz Verlag, Berlijn). De vertaling van de voorberichten werd eveneens gedaan aan de hand van de tekst uit genoemde werken.

De korte inhoud van de hoofdstukken van ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’ is vertaald naar de eerste Duitse druk van 1845. — Red. [Progres]

Inhoudsopgave


Aan de werkende klasse van Groot-Brittannië

Voorbericht

Uit het aanhangsel van de Amerikaanse uitgave

De arbeidersbeweging in Amerika

Voorrede bij de tweede Duitse oplage

Inleiding

Toestand van de arbeiders voor de industriële revolutie — De ‘jenny’ — Ontstaan van het industriële en van het landbouwproletariaat — De ‘throstle’, de mule, de mechanische weefstoel, de stoommachine — De machines verdringen de handenarbeid — Ontwikkeling van de industriële macht — Katoenindustrie — Kousenfabricage — Kantwerken — Bleken, drukken en verven — Wolindustrie — Linnenindustrie — Zijde-industrie — IJzerproductie en verwerking — Kolenmijnen - Aardewerkfabrieken — Landbouw — Straatwegen, kanalen, spoorwegen, stoomschepen — Samenvatting — Het proletariaat wordt van nationale betekenis — Opvatting der bourgeoisie over het proletariaat.

Het industriële proletariaat

Classificatie van de arbeiders — Centralisatie van het bezit — De hefboom van de moderne industrie — Centralisatie van de bevolking.

De grote steden

Een directe indruk van Londen — Sociale oorlog en universeel uitplunderingssysteem — Het lot van de armen daarbij — De achterbuurten in het algemeen — Londen: St. Giles en omgeving — Whitechapel — In de proletariërwoningen — Daklozen in de parken — Nachtlogementen — Dublin — Edinburgh — Liverpool — De fabriekssteden: Nottingham, Birmingham, Glasgow, Leeds, Bradford, Huddersfield — Lancashire: algemene opmerkingen — Bolton — Stockport — Ashton-under-Lyne — Stalybridge — Manchester in bijzonderheden geschetst: algemene bouwwijze — De oude stad — De nieuwe stad — Bouwwijze der arbeiderswijken — Binnenhofjes en achterstraatjes — De Ancoats-wijk — Klein-Ierland — Hulme — Salford — Samenvatting — Logementen — Grote bevolkingsdichtheid — Kelderwoningen — Kleding van de arbeiders — Voeding — Slecht vlees — Vervalsing van waren — Vervalste maten enz. — Samenvatting.

De concurrentie

Onderlinge concurrentie van de arbeiders, die het minimumloon en concurrentie van de bezitters onderling, die het maximumloon bepaalt — De arbeider, slaaf van de bourgeoisie, moet zichzelf elke dag, elk uur verkopen — Overtollige bevolking — Handelscrisis — De arbeidersreserve — Het lot van deze reserve tijdens de crisis van 1842.

De Ierse immigratie

Oorzaken en omvang — Hoe Carlyle het beschrijft — Onzindelijkheid, ruwheid, drankzucht van de Ieren — Uitwerking van de Ierse concurrentie en nabuurschap op de Engelse arbeiders.

Resultaten

Inleidende opmerkingen — Uitwerking der genoemde omstandigheden op de lichamelijke gesteldheid van de arbeiders — Invloed van de grote steden, de huisvesting, de onzindelijkheid enz. — De stand van zaken — Tering — Tyfus, vooral in Londen, Schotland en Ierland — Buikziekten — Gevolgen van de drankzucht — Kwakzalvers — ‘Godfrey’s Cordial’ — Sterfte onder het proletariaat, meer in het bijzonder onder de kleine kinderen — De bourgeoisie aangeklaagd van sociale moord — Gevolgen voor de intellectuele en morele toestand — Tekort aan onderrichtmiddelen — Het ontoereikende van de avond- en zondagsscholen — Onwetendheid — De levensomstandigheden als scholing voor de arbeiders — Zedelijke verwaarlozing van de arbeiders — De wet als enige zedenleraar — De toestand van de arbeiders als aanleiding wetten en zeden te negeren — Invloed van de armoede — Van het proletariaat en de onzekerheid van zijn positie — De veroordeling tot dwangarbeid — De centralisatie van de bevolking — De immigratie uit Ierland — Verschil in karakter van bourgeois en proletariër — Wat de proletariërs op de bourgeois voor hebben — Nadelige zijden van het proletarisch karakter — Drankzucht — Ongebondenheid in het geslachtelijk verkeer — Uiteenvallen van het gezin — Niet nakomen van de sociale regels — Misdadigheid — Beschrijving van de sociale oorlog.

De afzonderlijke bedrijfstakken. De fabrieksarbeiders in engere zin

Gevolgen van machines — Handwevers — De mannen verdrongen — Vrouwenarbeid, het gezin valt uiteen — Omkering van alle verhoudingen — Morele gevolgen van de opeenhoping van vele vrouwen in de fabrieken — Jus primae noctis — Kinderarbeid — Het leerlingensysteem — Latere ontwikkeling — Beschrijving volgens het fabrieksrapport — Lange werktijden — Nachtarbeid — Verminkingen — Kleinere uiterlijke kwalen — De aard van het werk — Algemene verzwakking van lichaamsgesteldheid — Beroepskwalen — Getuigenverklaringen — Vroege ouderdom — Speciale gevolgen voor de gezondheid van de vrouw — Enkele bijzonder schadelijke takken van arbeid — Ongevallen — Oordeel van de bourgeoisie over het fabriekssysteem — Fabriekswetgeving en tienuren agitatie — Geestdodend en afstompend karakter van de arbeid — Slavernij — Fabrieksvoorschriften — Het truckstelsel — Het cottagesysteem — Parallel tussen de lijfeigene anno 1145 en de vrije arbeider anno 1845.

De overige takken van arbeid

Kousenmakers — Kantfabricage — Katoendrukkers — Fluweelscheerders — Zijdewevers — Metaalwaren — Birmingham — Staffordshire — Sheffield — Machinefabrieken — De aardewerkfabrieken in Noord-Staffordshire — Glasfabrieken — De handwerkers — De Londense modistes en naaisters.

Arbeidersbewegingen

Ter inleiding — Misdadigheid — Opstanden tegen de machines — Verbonden, stakingen — Resultaten van de verbonden en de ‘turnouts’ — Misdaden hieruit voortvloeiend — Het karakter van de strijd van het Engelse proletariaat tegen de bourgeoisie — Strijd in Manchester in mei 1843. Respect voor de wet kent het proletariaat niet — Het chartisme — Geschiedenis van de chartistenbeweging — De opstand van 1842 — Besliste scheiding tussen proletarisch chartisme en het radicalisme van de bourgeoisie — Sociale tendentie van het chartisme — Het socialisme — Algemeen standpunt van de arbeiders.

Het mijnproletariaat

De mijnwerkers van Cornwall — Alston Moor — IJzer- en kolenmijnen — Het werk van mannen, vrouwen en kinderen — Kenmerkende ziekten — Arbeid in lage gangen — Ongelukken, explosies en derg. — Ontwikkelingspeil — De zedelijkheid — Mijnwetten — Systematische uitbuiting kenmerken de mijnwerkers — Bewegingen onder hen — De ‘Union’ — De grote veldtocht van 1844 in het noorden van Engeland — Roberts en de veldtocht tegen de vrederechters en het truckstelsel — Resultaten van de strijd.

Het landbouwproletariaat

Historische terugblik — Pauperisme op het land — Toestand van de landbouwdagloners — Brandstichtingen — Onverschilligheid tegenover het vraagstuk van de graanwetten — Ongodsdienstigheid — Wales: de kleine pachtboeren — ‘Rebekka’ — onlusten — Ierland: de verkaveling van het grondbezit — Pauperisering van de natie — Misdadigheid — De ‘Repeal’-agitatie.

De houding van de bourgeoisie tegenover het proletariaat

Zedelijke verdorvenheid van de Engelse bourgeoisie — Geldzucht — Economie en vrije concurrentie — De gehuichelde liefdadigheid — De huichelarij op het gebied van de economie en politiek bij het vraagstuk van de graanwetten — Wetgeving en justitie van de bourgeoisie — De bourgeoisie in het parlement — ‘Masters- and Servants-Bill’ — De theorie van Malthus — De oude armenwet — De nieuwe armenwet — Voorbeelden van de ruwheid in de werkhuizen — Vooruitzichten voor Engeland in de toekomst.

Aan de werkende klasse van Groot-Brittannië [1]

Arbeiders!

Aan u draag ik een werk op, waarin ik een poging heb gedaan om mijn Duitse landgenoten een getrouw beeld te schetsen van uw levensvoorwaarden, van uw lijden en strijd, van uw hoop en uw vooruitzichten. Ik heb lang genoeg onder u geleefd om iets te weten van uw levensomstandigheden, waarover ik met de grootste zorg kennis vergaarde. Ik heb de verschillende officiële en niet-officiële documenten bestudeerd, voor zover ik de mogelijkheid had mij deze te verschaffen. Daarmee heb ik echter geen genoegen genomen, het was mij om meer dan alleen abstracte kennis van mijn onderwerp te doen. Ik wilde u in uw woningen zien, u in uw dagelijks leven waarnemen, met u over uw levensomstandigheden en noden praten en getuige zijn van uw strijd tegen de sociale en politieke macht van uw onderdrukkers. Ik ging daarbij als volgt te werk: ik zag af van het gezelschap en de feestmalen, de port en de champagne van de middenklasse en wijdde mijn vrije uren bijna uitsluitend aan de omgang met eenvoudige arbeiders. En ik ben verheugd en trots tegelijk, zo te hebben gehandeld.

Verheugd omdat ik mij op die manier heel wat vreugdevolle uren verschafte, waarbij ik gelijktijdig uw werkelijk leven leerde kennen — uren die anders verdaan waren met conventioneel geklets en vervelende étiquette. En trots omdat dit mij de gelegenheid bood recht te doen wedervaren aan een onderdrukte en belasterde klasse, waaraan, bij al haar fouten en de nadelen van haar toestand, hoogstens een Engelse krentenweger de achting onthouden zal. Trots ook omdat ik op deze wijze in staat werd gesteld het Engelse volk te behoeden voor de toenemende minachting die op het continent het onvermijdelijk gevolg is geweest van de brute, egoïstische politiek en het optreden van uw heersende middenklasse in het algemeen.

Dankzij het feit dat ik tegelijkertijd ruimschoots gelegenheid had tot het observeren van uw tegenstander, de middenklasse, ben ik zeer snel tot de slotsom gekomen dat u gelijk hebt, volkomen gelijk als u van die klasse generlei hulp verwacht. Haar belangen staan diametraal tegenover de uwe, hoewel zij altijd zal trachten het tegendeel te beweren en bij u het geloof te wekken dat uw lot haar ten zeerste aan het hart gaat. Haar daden logenstraffen haar woorden. Ik hoop dat ik meer dan voldoende materiaal daarvoor heb gebracht, om te bewijzen dat de middenklasse, wat zij ook beweren mag, in werkelijkheid geen ander doel kent dan zich door uw arbeid te verrijken zolang zij het product daarvan verkopen kan en u aan de hongerdood prijs te geven zodra zij uit deze indirecte handel in mensenvlees geen winst kan slaan. Wat hebben zij gedaan om hun voorgewende goede bedoelingen jegens u te bewijzen? Hebben zij aan uw lijden ooit ook maar serieus aandacht geschonken? Hebben zij meer dan de kosten toegestaan voor een half dozijn commissies van onderzoek, waarvan de lijvige rapporten veroordeeld zijn voor eeuwig onder hopen paperassen in de archieven van het Home Office[2] te sluimeren? Hebben zij zich ooit vermand om uit hun moderne blauwboeken ook maar één leesbaar boek samen te stellen dat iedereen in staat zou stellen om zonder moeite wat materiaal over de toestand van de grote meerderheid der ‘vrijgeboren Britten’ te krijgen? Natuurlijk niet: dat zijn dingen waarover zij liever niet spreken — zij lieten het aan een buitenlander over om de beschaafde wereld rapport uit te brengen over de onterende toestand waarin u gedwongen bent te leven.

Een buitenlander voor hen, naar ik hoop, niet voor u. Al is ook mijn Engels niet zo zuiver, toch zult u hopelijk vinden dat het duidelijk Engels is. In Engeland, tussen twee haakjes, ook in Frankrijk, heeft geen arbeider mij ooit als buitenlander behandeld. Met de grootste vreugde constateerde ik dat u vrij bent van de verderfelijke vloek van nationale bekrompenheid en nationale arrogantie, die tenslotte niets anders is dan egoïsme in het groot. Ik observeerde uw sympathie met ieder die zijn krachten eerlijk aan de menselijke vooruitgang wijdt, of hij nu Engelsman is of niet, en uw bewondering voor alles wat edel en goed is, of het nu van uw vaderlandse bodem komt of niet. Ik stelde vast dat u meer bent dan slechts Engelsen die deel uitmaken van en één enkele, geïsoleerde natie; ik zag dat u mensen bent, die deel uitmaken van de grote en internationale familie der mensheid: mensen die erkend hebben dat de belangen van hen en van heel het menselijke ras gelijk zijn. En als zodanig, als leden van deze familie der ‘ene en ondeelbare’ mensheid, als menselijke wezens in die meest nadrukkelijkste zin van het woord, begroeten ik en vele anderen op het continent uw voortgang in elke richting en wensen wij u een snel succes.

Voorwaarts dus op de ingeslagen weg. Veel staat u nog te wachten; wees standvastig en laat u niet ontmoedigen. Uw succes is verzekerd, en iedere afzonderlijke stap voorwaarts op de weg die u af te leggen hebt, zal onze gemeenschappelijke zaak, de zaak der mensheid dienen!

Friedrich Engels Barmen (Rijn-Pruisen), 15 maart 1845.

Vertaling uit het Duits. K. Marx, F. Engels Werke, dl. 2, Berlijn 1970, blz. 229-231

Voorbericht

In de hiernavolgende bladzijden wordt een onderwerp behandeld dat ik aanvankelijk slechts wilde behandelen als apart hoofdstuk van een omvangrijker werk over de sociale geschiedenis van Engeland, maar waarvan de belangrijkheid mij weldra noodzaakte er een zelfstandige studie aan te wijden.

De toestand van de arbeidersklasse is de feitelijke grondslag en het uitgangspunt van alle hedendaagse sociale bewegingen, omdat hij de hoogste en meest onverhulde top van onze bestaande sociale misère is. Het Franse en Duitse arbeiderscommunisme zijn er direct — en de leer van Fourier en het Engelse socialisme zowel als het communisme van de ontwikkelde Duitse bourgeoisie zijn er indirect door voortgebracht. Om enerzijds de socialistische theorieën en anderzijds de beoordeling van hun juistheid een stevige grondslag te geven, om aan al het dwepen en fantaseren pro et contra een einde te maken, daarvoor is inzicht in de proletarische toestanden een onontkoombare noodzakelijkheid. De proletarische toestanden bestaan echter in hun klassieke vorm, in hun volkomenheid, slechts in het Britse Rijk, met name in het eigenlijke Engeland; en tegelijkertijd is alleen in Engeland het nodige materiaal zo volledig verzameld en door officieel onderzoek geconstateerd, als het voor een enigermate volledige weergave van het onderwerp noodzakelijk is.

Eenentwintig maanden lang heb ik gelegenheid gehad om het Engelse proletariaat, zijn streven, zijn lief en leed van nabij door eigen waarneming en persoonlijke omgang te leren kennen en tegelijkertijd mijn ervaringen aan te vullen door gebruik te maken van de nodige authentieke bronnen. Wat ik gezien, gehoord en gelezen heb is in het hier volgende geschrift verwerkt. Ik ben erop voorbereid dat niet alleen mijn standpunt, maar ook de gebrachte feiten van vele kanten zullen worden aangevallen, vooral als mijn boek in handen van Engelsen komt. Even goed weet ik dat men hier en daar een onbelangrijke onjuistheid, welke bij zo’n omvangrijk onderwerp met zijn breedvoerig bewijsmateriaal zelfs een Engelsman niet had kunnen vermijden, te meer zal kunnen aanwijzen daar waar er zelfs in Engeland nog geen enkel werk bestaat dat, zoals het mijne, over alle arbeiders gaat. Toch daag ik, zonder mij ook maar een ogenblik te bedenken, de Engelse bourgeoisie uit om ook maar één enkel, voor de algemene strekking van betekenis zijnd feit, met even zulke authentieke bewijsstukken als ik heb aangevoerd, te weerleggen.

Juist voor Duitsland is het weergeven van de klassieke toestanden van het proletariaat in het Britse Rijk van grote betekenis, vooral op het huidige moment. Het Duitse socialisme en communisme zijn meer dan wat ook van theoretische stellingen uitgegaan. Wij, Duitse theoretici, kenden van de werkelijke wereld nog veel te weinig om door de werkelijke verhoudingen direct tot hervorming van deze ‘slechte werkelijkheid’ te worden gedreven. Van de openlijke voorvechters van zulke hervormingen is tenminste bijna niemand op andere wijze tot het communisme gekomen, dan via Feuerbachs ontrafelen van Hegels speculaties. De werkelijke levensomstandigheden van het proletariaat zijn onder ons zo weinig bekend dat zelfs de goedwillende ‘verenigingen tot verheffing van de werkende klassen’, waarin onze bourgeoisie het sociale vraagstuk nu mishandelt, voortdurend van de belachelijkste en meest afgezaagde opvattingen over de toestand van de arbeiders uitgaan. Vooral wij Duitsers hebben in deze kwestie behoefte aan feitenkennis. En hoewel ook de proletarische toestanden in Duitsland niet tot dezelfde klassieke hoogte ontwikkeld zijn als de Engelse, hebben wij toch in principe hetzelfde sociale stelsel, dat vroeger of later op dezelfde, aan de overkant van de Noordzee reeds bereikte spits gedreven moet worden, wanneer niet bijtijds het inzicht van de natie voor maatregelen zorgt die het hele sociale stelsel een nieuwe grondslag geven. Dezelfde fundamentele oorzaken die in Engeland de ellende en de onderdrukking van het proletariaat hebben veroorzaakt, zijn ook in Duitsland aanwezig en moeten op den duur dezelfde resultaten voortbrengen. Ondertussen zal echter de geconstateerde Engelse ellende voor ons aanleiding zijn om ook onze Duitse ellende te constateren, en een maatstaf bieden waaraan wij zijn uitbreiding en de grootte van het — door de ongeregeldheden in Silezië en Bohemen[3] aan het licht gekomen — gevaar kunnen meten, dat van deze kant de directe rust in Duitsland bedreigt.

Tenslotte heb ik nog twee opmerkingen te maken. Ten eerste dat ik het woord middenklasse[4] voortdurend heb gebruikt (in de zin van het Engelse middle-class (of zoals bijna altijd gezegd wordt: middle-classes) daar dit, zoals het Franse woord ‘bourgeoisie’, de bezittende klasse, speciaal de van die zogenaamde adel te onderscheiden bezittende klasse betekent: de klasse die in Frankrijk en Engeland direct en in Duitsland als ‘Publieke opinie’ indirect de staatsmacht in handen heeft. Zo heb ik ook de uitdrukkingen: ‘arbeiders’ (working men) en proletariërs, arbeidersklasse, bezitloze klasse en proletariaat voortdurend als van gelijke betekenis zijnde gebruikt. Ten tweede heb ik bij die meeste citaten de partij van mijn berichtgevers daarom vermeld, omdat die liberalen bijna voortdurend de ellende in de landbouwdistricten op die voorgrond proberen te schuiven, maar die in de fabrieksdistricten trachten weg te praten, terwijl omgekeerd de conservatieven de nood in die fabrieksdistricten erkennen, maar van die in de landbouwstreken weer niets willen weten. Om deze reden heb ik ook, wanneer mij officiële documenten ontbraken bij de schildering van de industriearbeiders altijd aan, een liberaal bewijsstuk de voorkeur gegeven om de liberale bourgeoisie met haar eigen woorden te verslaan. En op de Tories of chartisten heb ik mij alleen dan beroepen, wanneer ik die juistheid van de zaak uit eigen aanschouwing kende, of ik van die waarheid van de uitspraak overtuigd kon zijn door het persoonlijke of literaire karakter van mijn autoriteiten.

Barmen (Rijn-Pruisen), 15 maart 1845.
F. Engels

Vertaling uit het Duits. K. Marx, E. Engels Werke, dl. 2, Berlijn 1970, blz. 232-234.

Uit het aanhangsel van de Amerikaanse uitgave[5]

Er zijn twee omstandigheden geweest die vele jaren verhinderden dat de onvermijdelijke consequenties van het kapitalistische systeem in Amerika ten volle aan het licht traden. Dat waren de gemakkelijke wijze goedkope grond te verwerven en de immigrantenstroom. Zij veroorloofden de grote massa van de ingezeten Amerikaanse bevolking lange tijd zich in de jonge jaren uit de loondienst ‘terug te trekken’ en boer, handelaar of werkgever te worden, terwijl de harde loonarbeid en het levenslang proletariër zijn hoofdzakelijk voor de immigrant bestemd bleef. Maar Amerika is dit vroege stadium ontgroeid. De eindeloze oerwouden zijn verdwenen en de nog eindelozer prairiën gaan zienderogen uit de handen van de staat en de deelstaten in die van particuliere bezitters over. De veiligheidsklep tegen het ontstaan van een permanente proletarische klasse heeft, praktisch gesproken, opgehouden te functioneren. Thans bestaat er in Amerika een klasse van levenslange en zelfs erfelijke proletariërs. Een natie van 60 miljoen mensen die hard en met niet gering vooruitzicht op succes ervoor strijdt de leidende industriële natie van de wereld te worden, kan niet voortdurend haar eigen loonarbeidersklasse importeren; zelfs niet als per jaar een half miljoen immigranten het land binnenstromen. De tendentie van het kapitalistisch stelsel om tenslotte de maatschappij in twee klassen te splijten — een gering aantal miljonairs enerzijds en de grote massa van uitsluitend loonarbeiders anderzijds — deze tendentie werkt nergens krachtiger door dan in Amerika, hoewel andere sociale krachten er zich intomend tegenover stellen. En het resultaat was het ontstaan van een klasse van inheemse Amerikaanse loonarbeiders die weliswaar in vergelijking met de immigranten de aristocratie van de loonarbeidersklasse vormen, maar zich toch iedere dag meer bewust worden van hun solidariteit met de immigranten en die nu hun veroordeling tot levenslange loonarbeid des te scherper inzien omdat de dagen van weleer, toen het in verhouding gemakkelijk was om sociaal een trapje hoger te klimmen, hen nog vers in het geheugen liggen. Dientengevolge is de arbeidersbeweging in Amerika met echt Amerikaanse energie op gang gebracht en omdat aan de overkant van de Atlantische Oceaan de dingen zich minstens dubbel zo snel ontwikkelen als in Europa, zouden wij het nog wel eens kunnen beleven dat Amerika ook in dit opzicht de leiding grijpt.

De arbeidersbeweging in Amerika

(Voorrede bij de Amerikaanse uitgave)[6]

Tien maanden zijn verlopen sinds ik, op verzoek van de vertaalster, het Aanhangsel[7] bij dit boek schreef. In deze tien maanden heeft in de Amerikaanse maatschappij een omwenteling plaatsgegrepen, waarvoor ieder ander land minstens tien jaar nodig had gehad. In februari 1886 was de Amerikaanse openbare mening tamelijk eensgezind op dit ene punt: dat in Amerika een arbeidersklasse — in de Europese zin van het woord — niet bestaan zou: dat dientengevolge een klassenstrijd tussen arbeiders en kapitalisten, zoals deze de Europese maatschappij in stukken scheurt, in die Amerikaanse republiek onmogelijk zou zijn en dat derhalve het socialisme een buitenlands importartikel zou zijn, dat op Amerikaanse bodem geen wortel kan schieten. En toch wierp juist toen de op gang komende klassenstrijd reeds zijn gigantische schaduw vooruit in de stakingen van de mijnwerkers in Pennsylvania[8] van vele andere bedrijven, en vooral in de, het hele land omvattende voorbereidingen voor de grote achturendagbeweging die voor de maand mei voorbereid was en ook inderdaad in mei plaatsvond.[9] Dat ik deze voortekens toen reeds op hun juiste waarde schatte, dat ik met een arbeidersbeweging van nationale omvang rekende, toont het ‘Aanhangsel’. Maar niemand kon voorzien dat deze beweging in zo korte tijd en met zulk een onweerstaanbare kracht uitbreken zou, dat zij met de snelheid van een prairiebrand om zich heen zou grijpen en de Amerikaanse maatschappij nu reeds tot op haar grondvesten zou schokken.

Het feit is er, onaantastbaar en onbetwistbaar. Hoezeer dit de Amerikaanse heersende klassen met schrik vervulde, werd mij op amusante wijze door Amerikaanse journalisten onthuld, die mij verleden zomer met een bezoek vereerden; de nieuwe beweging had ze in een toestand van hulpeloze en jammerlijke angst gebracht. En toch was de beweging toen nog pas aan het ontstaan en bestond zij nog maar uit een reeks van verwarde en schijnbaar onsamenhangende stuipachtige bewegingen van de klasse die door de onderdrukking van de slavernij der negers en door de snelle industriële ontwikkeling de onderste laag van de Amerikaanse maatschappij was geworden. Maar nog voor het einde van het jaar bleek hoe deze vreemde sociale krampaanvallen steeds meer in een bepaalde richting liepen. De spontane, instinctieve bewegingen van deze enorme arbeidersmassa’s, de verbreiding ervan over reusachtige gebieden van het land, het overal gelijktijdig uitbreken van hun gemeenschappelijke ontevredenheid over een ellendige maatschappelijke toestand, waaraan allerwegen dezelfde oorzaken schuldig zijn, dat alles wekte in deze massa’s het bewustzijn dat zij een nieuwe, bijzondere klasse in de Amerikaanse samenleving vormden — een klasse van werkelijk min of meer erfelijke loonarbeiders, proletariërs. En met echt Amerikaans instinct leidde dit bewustzijn ze onmiddellijk naar de volgende stap voor hun bevrijding: naar de vorming van een politieke arbeiderspartij met een eigen program en met de verovering van het Capitool en het Witte Huis als doel. In mei de strijd voor de achturendag, de ongeregeldheden in Chicago, Milwaukee enz., de poging van de heersende klassen om de opkomende arbeidersbeweging met bruut geweld en onbeschaamde klassenjustitie te onderdrukken; in november de jonge arbeiderspartij in alle grote centra reeds georganiseerd, de verkiezingen in New York, Chicago, Milwaukee.[10] Tot nog toe hadden mei en november de Amerikaanse bourgeosie slechts herinnerd aan de vervaldagen van de coupons van de Amerikaanse Staatslening, van nu af zullen mei en november haar ook aan de vervaldagen herinneren, waarop het Amerikaanse proletariaat zijn coupons ter betaling aanbood.

In de Europese landen had de arbeidersklasse vele lange jaren nodig voordat zij volkomen begreep dat zij een bijzondere en onder de gegeven omstandigheden permanente klasse in de moderne maatschappij vormt. En weer had zij er jaren voor nodig voordat dit klassebewustzijn haar ertoe bracht om zich tot een bijzondere politieke partij te verenigen - een partij die onafhankelijk en vijandig staat tegenover alle oude, door de verschillende groepen van de heersende klassen gevormde partijen. Op de meer bevoorrechtte bodem van Amerika, waar geen feodale ruïnes de weg versperren, waar de geschiedenis begint met de reeds in de 17de eeuw ontwikkelde elementen van de moderne burgerlijke maatschappij, heeft de arbeidersklasse deze beide trappen van haar ontwikkeling in slechts tien maanden doorlopen.

Nochtans is dit alles slechts het begin. Dat de werkende massa’s de gemeenschappelijkheid van hun grieven en belangen, hun solidariteit als klasse tegenover alle klassen aanvoelen, dat zij, om aan dit gevoelen uiting te geven en het effectief te maken, de voor deze stap in elk vrij land ter beschikking staande politieke machine in beweging zetten — dat is altijd slechts de eerste stap. De volgende stap bestaat daarin dat gemeenschappelijke geneesmiddelen voor dit gemeenschappelijk lijden gevonden en in het program van de nieuwe arbeiderspartij tot uitdrukking gebracht worden. En deze stap — de belangrijkste en moeilijkste van de gehele beweging — zal in Amerika nog moeten worden gedaan.

Een nieuwe partij moet een bepaald positief program hebben, een program waarvan de details weliswaar al naar gelang van de omstandigheden en met de ontwikkeling van de partij zelf wisselen kunnen, maar een program dan toch, waarover de partij het op elk gegeven ogenblik eens is. Zolang dit program nog niet is uitgewerkt, zal ook de partij nog slechts in kiem bestaan; al mag zij dan plaatselijk bestaan, nationaal bestaat zij nog niet; zij mag dan de bestemming hebben een partij te zijn, maar in feite is zij het nog niet.

Welke ook de oorspronkelijke gedaante van dit program zijn mag, het moet zich steeds verder ontwikkelen in een richting die van tevoren bepaald kan worden. De oorzaken die de grondeloos diepe kloof tussen de arbeidersklasse en de kapitalistische klasse hebben geslagen, zijn in Amerika dezelfde als in Europa en de middelen om deze kloof te dempen zijn eveneens overal dezelfde. Dientengevolge moet het program van het Amerikaanse proletariaat, naarmate de beweging zich verder ontwikkelen zal, steeds samenvallen met dat wat na zestig jaren van onenigheid en discussies het algemeen aangenomen program is geworden van het strijdbare Europese proletariaat. Evenals dit zal het als einddoel de verovering van de politieke heerschappij door de arbeidersklasse proclameren, als middel voor de directe toe-eigening van alle productiemiddelen — de bodem, spoorwegen, mijnen, machines enz. — door de samenleving als geheel en tot gemeenschappelijk gebruik van deze productiemiddelen door en voor de gemeenschap.

Nu streeft de nieuwe Amerikaanse partij, evenals alle politieke partijen overal, reeds uit hoofde van het simpele feit van haar bestaan, naar de verovering van de politieke heerschappij. Maar zij is verre ervan het er met zichzelf over eens te zijn waar deze heerschappij voor gebruikt moet worden. In New York en de andere grote steden van het oosten heeft de arbeidersklasse zich op de basis van vakverenigingen georganiseerd en in iedere stad een machtige ‘Central Labor Union’ (Centraal arbeidsverbond.- Red.) gevormd. In New York bijvoorbeeld verkoos de Central Labor Union in november jl. Henry George tot zijn vaandeldrager; ten gevolge daarvan was zijn toenmalige verkiezingsprogram rijkelijk doorspekt met de inzichten van Henry George. In de grote steden van het noordwesten werd de verkiezingsstrijd uitgevochten op basis van een betrekkelijk vaag arbeidersprogram, waarin de invloed van George’s ideeën nauwelijks of zelfs helemaal niet te bespeuren was. En terwijl in deze grote bevolkings- en industriecentra de beweging een beslist politieke vorm aannam, vinden wij daarnaast, over het hele land verspreid, twee wijdvertakte arbeidersorganisaties: de ‘Ridders van de Arbeid[11] en de ‘Socialistische Arbeiderspartij’, waarvan alleen de laatstgenoemde een verkiezingsprogram heeft in overeenstemming met het hierboven geschetste hedendaagse Europese standpunt.

Van deze drie min of meer uitgesproken vormen, waarin de Amerikaanse arbeidersbeweging zich presenteert, is de eerste, de Henry-George-beweging in New York, thans hoofdzakelijk van plaatselijke betekenis. Ongetwijfeld is New York verreweg de belangrijkste stad in de Verenigde Staten, maar New York is geen Parijs en de Verenigde Staten zijn Frankrijk niet. En mij schijnt het toe, dat het program van Henry George in zijn tegenwoordige vorm te beperkt is om de grondslag voor meer dan een plaatselijke beweging te vormen of, in het beste geval, voor meer dan een overgangsfase van korte duur van de algemene beweging. Volgens Henry George is de onteigening van de volksmassa, het feit dat zij geen grond bezit, de grote en algemene oorzaak van de splitsing van het volk in rijken en armen. Nu is dit historisch niet geheel juist. In de Aziatische en klassieke Oudheid was de overheersende vorm van klassenonderdrukking de slavernij, d.w.z. niet zo zeer de onteigening van de massa’s van grond en bodem, als wel de toe-eigening van hen als personen door derden. Toen bij het verval van de Romeinse republiek de boerderijen van de vrije Italiaanse boeren onteigend werden, veranderden dezen in een klasse van ‘verpauperde blanken’ (‘poor whites’, ‘white trash’), zoals die in de zuidelijke slavenstaten van de USA voor 1861 bestond; en tussen slaven en verpauperde vrijen — twee klassen gelijkelijk onbekwaam zichzelf te emanciperen — viel de oude wereld in puin. In de middeleeuwen was niet de onteigening van de volksmassa’s — hun afscheiding van de bodem als bezit, maar veeleer hun toe-eigening — hun koppeling aan de bodem de grondslag van de feodale druk. De boer behield zijn hoeve, maar werd er als lijfeigene of horige aan geketend en moest aan zijn landheer schatting betalen met arbeid of in producten. Pas met het aanbreken van de nieuwe tijd, tegen het einde van de 15de eeuw, werd de expropriatie van de boeren op grote schaal doorgevoerd, en wel ditmaal onder historische omstandigheden die de bezitloos geworden boeren geleidelijk overhevelden naar de moderne klasse van loonarbeiders en tot mensen maakten die niets bezitten dan hun arbeidskracht en die slechts kunnen leven van de verkoop van deze arbeidskracht aan anderen. Terwijl nu de onteigening van de grond deze klasse in het leven riep, was de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze, waren de moderne grootindustrie en de moderne grote landbouw er om haar te vereeuwigen, te vermeerderen en er een bijzondere klasse met bijzondere belangen en een bijzondere historische taak van te maken. Dit alles werd uitvoerig beschreven door Marx (Het Kapitaal, deel I, zevende afdeling, hoofdstuk 24: De zogenaamde oorspronkelijke accumulatie) Volgens Marx ligt de oorzaak van de tegenwoordige klassentegenstelling en van de tegenwoordige sociale vernedering van de arbeidersklasse besloten in haar onteigening van alle productiemiddelen, natuurlijk met inbegrip van de bodem.

Nadat Henry George de monopolisering van de bodem nu eenmaal tot enige oorzaak van de armoede en de ellende heeft gemaakt, vindt hij begrijpelijkerwijze het geneesmiddel daarin dat de samenleving als zodanig de bodem weer in bezit zal nemen. Nu eisen de socialisten uit de school van Marx eveneens dat de samenleving de grond weer in bezit neemt, en niet alleen de grond, maar ook alle andere productiemiddelen. Maar zelfs afgezien hiervan, bestaat er nog een ander verschil. Wat moet er met de bodem gedaan worden? De hedendaagse socialisten eisen, voor zover zij door Marx vertegenwoordigd worden, dat deze aan de gemeenschap komt en gemeenschappelijk voor gemeenschappelijke rekening zal worden bewerkt, en hetzelfde voor alle andere maatschappelijke productiemiddelen: de mijnen, spoorwegen, fabrieken enz. Henry George daarentegen is er tevreden mee dat de grond, evenals thans, per perceel aan enkelingen verpacht wordt, als de verpachting maar geregeld wordt en de grondrente in plaats van, zoals tegenwoordig, in particuliere beurzen in de openbare kas zal vloeien. De eis van de socialisten houdt een volledige omwenteling van het gehele systeem van de maatschappelijke productie in. De eis van Henry George daarentegen laat de productiewijze onaangetast en is inderdaad ook reeds jaren geleden opgesteld door de extreemste richting van burgerlijke economen uit de school van Ricardo. Ook zij eisen de confiscatie van de grondrente door de staat.

Het zou natuurlijk onbillijk zijn om te veronderstellen dat Henry George reeds eens en voor altijd zijn laatste woord zou hebben gesproken. Maar ik moet zijn theorie toch nemen zoals ik haar vind.

De tweede grote afdeling van de Amerikaanse beweging wordt gevormd door de Ridders van de Arbeid. En, naar het schijnt, weerspiegelen zij het getrouwst de huidige ontwikkelingstoestand van de beweging; zij zijn daarbij dan nog ongetwijfeld verreweg de talrijkste van de drie afdelingen. Een reusachtig grote vereniging, verspreid over onmetelijke landstreken in talrijke ‘assemblies’, waarin alle schakeringen van individuele en plaatselijke opvattingen binnen de arbeidersklasse vertegenwoordigd zijn — allen verenigd onder het gemeenschappelijke dak van een program van dienovereenkomstige vaagheid en veel minder vereend door hun niet te verwerkelijken grondstellingen dan wel door het instinctieve gevoel dat het feit alleen al van hun samengaan voor het doel waarnaar zij gemeenschappelijk streven, hen verheft tot de rang van een grote macht in het land — een echt Amerikaans paradoxaal raadsel waarbij het modernste streven in middeleeuwse vermomming gekleed wordt en de meest democratische, zelfs meest opstandige geest wordt verborgen achter een schijnbaar despotisme dat in werkelijkheid echter machteloos is. Zie daar de indruk die de Ridders van de Arbeid op de Europese waarnemer maken.

Maar als wij niet alleen stil blijven staan bij de uiterlijke merkwaardigheden moeten wij wel zien dat deze kolossale menigte van arbeiders een geweldige massa sluimerende, potentiële energie vertegenwoordigt, die op het punt staat langzaam maar zeker een levende kracht te worden. De Ridders van de Arbeid zijn de eerste nationale organisatie geschapen door de Amerikaanse arbeidersklasse als geheel. Wat ook hun oorsprong en geschiedenis, welke ook hun tekortkomingen en kleine dwaasheden en hoe ook hun program en hun grondstellingen mogen zijn — zij bestaan en zijn werkelijk het werk van de hele klasse van Amerikaanse loonarbeiders, de enige nationale band die ze bijeenhoudt, die hen zelf hun sterkte niet minder voelen doet dan hun vijanden en die hen vervult met trotse hoop op toekomstige overwinningen. En het zou geenszins juist zijn om te zeggen dat de Ridders van de Arbeid niet in staat zouden zijn zich te ontwikkelen. Zij zijn voortdurend volop in staat van ontwikkeling en kentering, het is een golvende, gistende massa van kneedbaar materiaal dat doende is de met zijn natuur strokende vorm en gedaante te vinden. Deze vorm zal gevonden worden, dat is even zeker als dat de historische ontwikkeling, net als de ontwikkeling van de natuur, haar eigen immanente wetten heeft. Of de Ridders van de Arbeid dan hun huidige naam zullen behouden of niet is van geen belang. Maar wie deze beweging van verre gadeslaat zal nauwelijks kunnen nalaten haar te zien als de grondstof, waaruit de toekomst van de Amerikaanse arbeidersbeweging, en daarmee de toekomst van de Amerikaanse maatschappij als geheel, zal moeten worden gevormd.

De derde afdeling is de Socialistische Arbeiderspartij. Zij is slechts in naam een partij, want nergens in Amerika is zij tot nu toe werkelijk in staat geweest als politieke partij handelend op te treden. Zij is bovendien tot op zekere hoogte een buitenlands element in de Verenigde Staten: tot voor zeer kort heeft zij bestaan uit bijna uitsluitend Duitse immigranten, die hun eigen taal spreken en met de Engelse landstaal maar weinig vertrouwd zijn. Maar door haar vreemde herkomst was zij ook toegerust met een veeljarige ervaring van klassenstrijd in Europa en met een inzicht in de algemene voorwaarden voor de vrijmaking van de arbeidersklasse, zoals bij Amerikaanse arbeiders tot nu toe maar bij uitzondering te vinden is. Dit is een gelukkige omstandigheid voor het Amerikaanse proletariaat dat nu in staat wordt gesteld zich de intellectuele en morele resultaten van de veertigjarige strijd van hun Europese klassebroeders eigen te maken en zodoende zijn eigen overwinning te bespoedigen. Want, zoals gezegd, kan er geen twijfel aan bestaan dat het uiteindelijk program van de Amerikaanse arbeidersklasse in wezen hetzelfde moet en zal zijn als het thans door de gehele strijdende arbeidersklasse van Europa aangenomene, hetzelfde als dat van de Duits-Amerikaanse Socialistische Arbeiderspartij. Daarmee en in zoverre is deze partij geroepen om een zeer belangrijk aandeel aan de beweging te nemen. Maar om deze roeping te vervullen, zal zij ook haar buitenlandse kledij tot het laatste toe moeten afleggen. Zij moet door en door Amerikaans worden. Zij kan niet verlangen dat de Amerikanen naar haar toekomen; zij — de geïmmigreerde minderheid — moet naar de Amerikanen gaan, die de grote meerderheid en de inheemse bevolking uitmaken. Om dit te kunnen, moet zij allereerst Engels leren.

Het proces van versmelting van de verschillende elementen waaruit deze geweldige, in beweging zijnde massa bestaat — elementen die in werkelijkheid niet tegenstrijdig, maar wel door hun verschillende uitgangspunten van elkaar vervreemd zijn — dit proces zal enige tijd en niet zonder heel wat wrijving verlopen, zoals thans reeds op verschillende punten blijkt. De Ridders van de Arbeid bv. bevinden zich hier en daar in de oostelijke steden in lokale strijd met de georganiseerde vakverenigingen. Maar juist dat soort wrijving bestaat ook in de rijen van de Ridders van de Arbeid zelf, waar het alles behalve vredig en eendrachtig toegaat.

Dat zijn echter geenszins verschijnselen van verval, die de kapitalisten reden tot juichen zouden kunnen geven. Het zijn eerder slechts bewijzen ervoor dat de talloze scharen arbeiders die nu eindelijk in één gemeenschappelijke richting in beweging zijn gekomen, totnogtoe zomin de passende uitdrukking voor hun gemeenschappelijke belangen, als de meest juiste vorm van organisatie gevonden hebben. Zij zijn tot nu toe nog slechts de eerste massale mobilisatie voor de grote revolutionaire oorlog bijeengebracht en uitgerust in afzonderlijke, nog zelfstandige plaatselijke groepen die alle bestemd zijn één groot leger te vormen, maar nog geen regulaire organisatie en gemeenschappelijk plan de campagne hebben. Hier en daar kruisen de naar één plaats van samenkomst marcherende colonnes elkaar: verwarring, ruzie en strijd, zelfs dreigen er ernstige botsingen. De gemeenschappelijkheid van einddoel overwint echter tenslotte alle kleine moeilijkheden en de tijd is niet ver meer dat de afzonderlijk marcherende en rumoerige bataljons zich in volle wapenglans en onheilspellend zwijgend in rij en gelid op zullen stellen met dappere tirailleurs in het front en onwankelbare reserves in de rug.

Dit resultaat te bereiken, de vereniging van de verschillende, onafhankelijke korpsen tot één nationaal arbeidersleger met een gemeenschappelijk program — al mag dit program dan nóg zo onrijp zijn, als het maar een echt klassenprogram van arbeiders is — dát is de eerstkomende grote stap die in Amerika gedaan moet worden. Tot het bereiken van dit doel en om het program er geschikt voor te maken, daartoe kan niemand meer bijdragen dan de Socialistische Arbeiderspartij wanneer zij er maar toe besluiten zal om dezelfde tactiek te volgen als de Europese socialisten deden, toen zij nog maar een kleine minderheid van de arbeidersklasse vormden. Deze tactiek werd in 1847 in het Communistisch Manifest voor het eerst uiteengezet in de volgende woorden:

‘De communisten’ — dat was de naam die wij toen aannamen en het is ook thans nog verre van ons deze te verwerpen — ‘zijn geen bijzondere partij tegenover de andere arbeiderspartijen.’

‘Zij hebben geen belangen, die van de belangen van heel het proletariaat zijn gescheiden.’

‘Zij stellen geen bijzondere beginselen op, waarnaar zij de proletarische beweging willen modelleren.’

‘De communisten onderscheiden zich van de overige proletarische partijen slechts daardoor dat zij enerzijds in de verschillende nationale klassegevechten van de proletariërs gemeenschappelijke, van de nationaliteit onafhankelijke belangen van het gehele proletariaat doen uitkomen en anderzijds daardoor dat zij op de verschillende trappen van ontwikkeling die de strijd tussen proletariaat en bourgeoisie noopt, steeds het belang der gehele beweging vertegenwoordigen.’

‘De communisten zijn dus praktisch het meest besliste, verder stuwende deel van de arbeiderspartijen van alle landen; zij hebben, wat de theorie betreft, op de overige van het proletariaat vóór, het inzicht in de voorwaarden, het verloop en de algemene resultaten van de proletarische beweging...’

‘Zij strijden dus voor het bereiken van de naastbij liggende doeleinden en belangen van de arbeidersklasse, maar zij vertegenwoordigen in de tegenwoordige beweging tegelijkertijd de toekomst van de beweging’.[12]

Dit is de tactiek die de grote grondlegger van het moderne socialisme, Karl Marx, en met hem ik zelf en de socialisten van alle naties die met ons samenwerkten, meer dan veertig jaar lang gevolgd hebben en die ons overal naar de overwinning leidde en gemaakt heeft dat heden de massa der Europese socialisten in Duitsland zowel als in Frankrijk, in België en Nederland zowel als in Zwitserland, in Denemarken en Zweden, in Spanje en Portugal als één groot leger onder één en hetzelfde vaandel strijdt.

26 januari 1887
Friedrich Engels

Vertaling uit het Duits. K. Marx, F. Engels Werke dl. 21, Berlijn, 1969, blz. 335-343.

Voorrede bij de tweede Duitse oplage (1892)

Het boek dat hierbij opnieuw aan het Duitse publiek wordt voorgelegd, verscheen voor het eerst in de zomer van 1845. Het draagt, zowel wat het goede als wat het slechte betreft, het stempel van de jeugd van de schrijver. Ik was toen vierentwintig jaar. Thans ben ik drie maal zo oud en nu ik dit jeugdwerk weer doorlees, vind ik dat ik mij er geenszins voor behoef te schamen. Ik denk er dus niet aan dit stempel van jeugdwerk hoe dan ook uit te wissen. Ik leg het de lezer weer onveranderd voor. Ik heb slechts enkele niet geheel duidelijke passages scherper geformuleerd en hier en daar een nieuwe korte met het jaartal (1892) aangeduide voetnoot toegevoegd.

Van de lotgevallen van dit boek vermeld ik slechts dat het in 1887 te New York in Engelse vertaling (van Mevr. Florence Kelley-Wischnewetzky) verscheen en dat deze vertaling in 1892 opnieuw gedrukt werd bij Swan Sonnenschein & Co in Londen. Het woord vooraf bij de Amerikaanse uitgave lag aan het Engelse, en dit weer aan de onderhavige Duitse voorrede ten grondslag. De moderne grote industrie nivelleert de economische verhoudingen van alle erbij betrokken landen in zo enorme mate dat ik de Duitse lezer nauwelijks iets anders te zeggen heb dan de Amerikaanse en Engelse.

De in dit boek beschreven stand van zaken behoort heden, tenminste wat Engeland betreft, grotendeels tot het verleden. Hoewel niet uitdrukkelijk in de erkende leerboeken in rekening gebracht, is het toch een wet van de moderne politieke economie dat, hoe meer de kapitalistische productie zich ontwikkelt zij des te minder bestaan kan door de kleine kunstgrepen van bedrog en zwendel, die haar vroegere stadia kenmerken. De kleine listigheden van de Poolse jood, van deze vertegenwoordiger van de laagste trap van Europese handel, dezelfde trucjes die hem in zijn eigen vaderland zulke voortreffelijke diensten bewijzen en daar algemeen gebruikelijk zijn, laten hem in de steek, zodra hij naar Hamburg of Berlijn komt. Evenzo ervoer de commissionair — jood of christen — die van Berlijn of Hamburg op de beurs van Manchester kwam, althans nog niet zo lang geleden, dit ene: wilde hij garen of weefsels goed inkopen, dan moest hij zich eerst van de weliswaar iets meer verfijnde, maar toch altijd nog jammerlijke manoeuvres en kneepjes ontdoen, die in zijn vaderland als het toppunt van koopmanswijsheid golden. Wel zal zich met de ontwikkeling van de grote industrie ook in Duitsland veel veranderd hebben, met name zal sinds het industriële Jena van Philadelphia[13] zelfs de oud-Duitse burgermanswijsheid ‘Het kan de mensen toch alleen maar aangenaam zijn, als wij hun eerst goede monsters sturen en daarna slechte waar!’ in een kwade reuk zijn komen te staan. En inderdaad, deze kneepjes en trucjes doen het niet meer op een grote markt, waar tijd geld is en waar zich tot op zekere hoogte een commerciële moraal ontwikkelt, niet uit liefde voor de deugd maar eenvoudig om onnodig tijdverlies en moeite te besparen. En net zo is het in Engeland gegaan met de verhouding van de fabrikant tot zijn arbeiders.

De opleving in zaken na de crisis van 1847 betekende het aanbreken van een nieuw industrieel tijdperk. De afschaffing van de graanwetten[14] en de daaruit noodzakelijk voortkomende verdere financiële hervormingen verschaften de Engelse handel en industrie alle gewenste bewegingsvrijheid. Onmiddellijk daarop kwam de ontdekking van de Californische en Australische goudvelden. De koloniale markten ontwikkelden in steeds toenemende mate hun vermogen de Engelse industrieproducten op te nemen. De mechanische weefstoel van Lancashire hielp eens en voor altijd miljoenen Indische handwevers de wereld uit. China werd meer en meer opengelegd. Vooral echter ontwikkelde zich Amerika met een zelfs voor dit land van reusachtige vooruitgang ongekende snelheid. En vergeten wij niet: Amerika was toen slechts een koloniale markt, en wel de grootste van alle, d.w.z. een land dat grondstoffen leverde en industrieproducten vanuit het buitenland, in het gegeven geval vanuit Engeland, betrok.

Bij dat alles kwam dan nog dat de nieuwe, tegen het einde van de voorgaande periode ingevoerde verkeersmiddelen — spoorwegen en oceaanstomers — thans op internationale schaal in gebruik kwamen en daarmee verwerkelijkten wat voordien slechts in eerste aanleg had bestaan: de wereldmarkt. Deze wereldmarkt bestond destijds nog hoofdzakelijk of uitsluitend uit een aantal akkerbouwlanden, gegroepeerd om één groot industriecentrum: Engeland. Engeland verbruikte het grootste deel van hun overschot aan grondstoffen en voorzag hen daarvoor van het grootste deel van de industrieproducten die zij nodig hadden. Geen wonder dus dat de industriële vooruitgang van Engeland kolossaal en ongekend is geweest, zozeer zelfs dat de toestand van 1844 ons thans onvergelijkelijk gering en haast wel voorhistorisch voorkomt.

In dezelfde mate echter waarin deze vooruitgang plaatsvond, werd ook de grote industrie, althans uiterlijk, zedelijk. De concurrentie van fabrikant tegen fabrikant door middel van kleine besteling van de arbeiders was niet meer lonend. Het bedrijf was deze miserabele manier van geldverdienen ontgroeid. De fabrikant-miljonair had wel wat beters te doen, dan zijn tijd te verliezen met zulke kleinzielige knepen. Zoiets was hoogstens goed voor kleine lieden in geldnood, die elk graantje mee moesten pikken om niet in de concurrentiestrijd te bezwijken. Zo verdween het truckstelsel uit de industriegebieden. De wet op de tienurendag[15] en een hele reeks kleinere hervormingen kwamen er door, allemaal dingen die voor de geest van de vrijhandel en voor de ongebreidelde concurrentie direct een klap in het gezicht waren, maar die evenzeer de concurrentiepositie van de grootkapitalist tegenover zijn minder bevoorrechte handelspartner sterker maakten.

Verder. Hoe groter een industrieel bedrijf en hoe talrijker zijn arbeiders, des te groter was de schade en het verlies bij elk conflict met de arbeiders. Zo maakte zich mettertijd een nieuwe geest meester van de fabrikanten, vooral over de grootste. Zij leerden onnodige twisten te vermijden, zich bij het bestaan en de macht van de Trade Unions[16] neer te leggen en zij leerden tenslotte zelfs in stakingen, als die maar op het juiste ogenblik ingezet hadden, een bruikbaar middel te zien tot het bereiken van hun eigen doeleinden. Zo kwam het dat de grootste fabrikanten, vroeger aanvoerders in de strijd tegen de arbeidersklasse, nu de eersten waren om op te roepen tot vrede en harmonie. En dat om zeer goede redenen.

Al deze concessies aan de gerechtigheid en mensenliefde waren in werkelijkheid slechts middelen om de concentratie van het kapitaal in de handen van weinigen te bespoedigen en de kleinere concurrenten die zonder zulke bijverdiensten niet leven konden, dood te drukken. In handen van deze weinigen hadden de kleine aanvullende afpersingen van vroeger jaren niet alleen alle betekenis verloren: zij stonden nu het grootscheeps zakendoen direct in de weg. En zo is de ontwikkeling van de kapitalistische productie al voldoende om — tenminste in de leidinggevende takken van industrie want in de minder belangrijke is dit geenszins het geval — al die kleine bezwaren op te heffen die in vroeger jaren het lot van de arbeiders verergerden. En zo treedt meer en meer het grote hoofdfeit op de voorgrond dat de oorzaak van de ellende der arbeidersklasse niet in al die kleinere misstanden gezocht moeten worden, maar in het kapitalistische stelsel zelf. De arbeider verkoopt zijn arbeidskracht aan de kapitalist voor een bepaalde som geld per dag. Na enkele uren arbeid heeft hij de waarde van dit bedrag gereproduceerd. Maar zijn arbeidscontract bepaalt dat hij nu nog een aantal uren door moet zwoegen om zijn arbeidsdag vol te maken. De waarde die hij nu in deze extra-uren van meerarbeid voortbrengt, is de meerwaarde die de kapitalist niets kost, maar niettemin in zijn zak vloeit. Dat is de grondslag van het stelsel dat de beschaafde maatschappij splitst in enerzijds de paar Rothschilds en Vanderbilts, die eigenaars van alle productie- en bestaansmiddelen zijn, en anderzijds de geweldige massa van loonarbeiders die eigenaar van niets dan hun arbeidskracht zijn. En dat dit resultaat niet de schuld is van een of andere ondergeschikte beklagenswaardige kwestie, maar uitsluitend van het stelsel zelf dit feit is — door de ontwikkeling van het kapitalisme in Engeland heden in het scherpste licht gesteld.

Verder. De herhaaldelijke bezoekingen van cholera, tyfus, pokken en andere epidemieën hebben de Britse bourgeoisie de dwingende noodzaak ingescherpt zijn steden gezond te maken, wil hij niet met zijn eigen familie aan deze ziekten ten offer vallen. Daarom zijn de ergste in dit boek beschreven misstanden thans opgeheven of althans minder opvallend gemaakt. Riolering is aangelegd of verbeterd, en dwars door vele van de slechtste ‘achterbuurten’ is een netwerk van brede straten aangelegd. ‘Klein Ierland’ is verdwenen en de ‘Seven Dials’[17] zijn binnenkort aan de beurt. Maar wat wil dat zeggen? Hele wijken die ik in 1844 nog als haast idyllisch kon schilderen, zijn nu, met het uitgroeien van de steden, in dezelfde toestand van verval, onbewoonbaarheid en ellende geraakt. Zeker, varkens en mesthopen duldt men niet meer. De bourgeoisie heeft verdere vorderingen gemaakt in de kunst het ongeluk van de arbeidersklasse te verbergen. Dat er echter wat de arbeiderswoningen betreft geen wezenlijke vooruitgang heeft plaatsgevonden, wordt volop bewezen door het rapport van de Koninklijke commissie ‘on the Housing of the Poor’[18] van 1885. En net zo is het met al het andere. Politieverordeningen kunnen de ellende van de arbeiders slechts bemantelen, niet opheffen.

Terwijl Engeland de door mij geschilderde kinderjaren van de kapitalistische uitbuiting ontgroeid is, hebben andere landen deze net pas bereikt. Frankrijk, Duitsland en vooral Amerika zijn de dreigende rivalen die, zoals ik in 1844 voorzag, meer en meer Engelands industriële monopolie doorbreken. Hun industrie is jong, vergeleken bij de Engelse, maar zij groeit veel sneller dan deze en is heden al ongeveer op dezelfde trap van ontwikkeling gekomen waarop de Engelse in 1844 stond. Met betrekking tot Amerika is de parallel bijzonder identiek. Weliswaar zijn de uiterlijke omstandigheden voor de Amerikaanse arbeidersklasse heel anders, maar dezelfde economische wetten zijn aan het werk en de resultaten moeten, zoal niet in ieder opzicht identiek, toch van dezelfde orde zijn. Daarom vinden wij in Amerika dezelfde strijd voor een kortere, bij de wet vast te stellen arbeidsdag, in het bijzonder voor vrouwen en kinderen in fabrieken; wij vinden het truckstelsel in volle bloei en het cottagesysteem op het platteland, door de ‘bosses’, de kapitalisten en hun vertegenwoordigers uitgebuit als middelen om de arbeiders te overheersen. Toen ik in 1886 de Amerikaanse kranten kreeg met de berichten over de grote staking van de mijnwerkers in het district Connellsville, Pennsylvania, kwam het mij voor alsof ik mijn eigen schildering van de staking van de mijnarbeiders in Noord-Engeland in 1844 las. Hetzelfde bedriegen van de arbeiders door valse maten, hetzelfde truckstelsel, dezelfde poging om het verzet van de kompels te breken met het laatste, verpletterende middel van de kapitalisten: de uitzetting van de arbeiders uit hun woningen die eigendom van de mijndirectie zijn.

Ik heb noch hier, noch in de Engelse uitgaven getracht het boek aan de huidige stand van zaken aan te passen, d.w.z. de sinds 1844 ingetreden veranderingen in bijzonderheden op te sommen. En wel om twee redenen. Ten eerste had ik de omvang van het boek moeten verdubbelen. En ten tweede gaf Marx in het eerste deel van Het Kapitaal een uitvoerige voorstelling van de toestand van de Engelse arbeidersklasse omstreeks 1865; de tijd dus dat de Britse industriële welvaart haar hoogtepunt bereikte. Ik zou dus het door Marx gezegde hebben moeten herhalen.

Het zal wel bijna overbodig zijn op te merken dat het algemeen theoretisch standpunt van dit boek — in filosofische, economische en politieke zin — geenszins precies overeenkomt met mijn tegenwoordige opvattingen. In 1844 bestond het moderne internationale socialisme nog niet, dat zich sindsdien, vooral en bijna uitsluitend door de prestaties van Marx, tot een wetenschap ontwikkeld heeft. Mijn boek vertegenwoordigt slechts een van de fasen van zijn embryonale ontwikkeling. Zoals het menselijk embryo in zijn vroegste stadia van ontwikkeling nog altijd de kieuwbogen van onze voorouders, de vissen, reproduceert, zo verraadt dit boek overal de sporen van de afstamming van het moderne socialisme van een van zijn voorouders: de klassieke Duitse filosofie. Zo wordt, vooral tegen het eind, groot gewicht gehecht aan de bewering dat het communisme niet slechts een partijdoctrine van de arbeidersklasse is, maar een theorie waarvan het einddoel de bevrijding van de hele maatschappij, met inbegrip van de kapitalisten, uit de huidige beperkende verhoudingen is. Dit is in abstracte zin juist, maar in de praktijk meestal erger dan nutteloos. Zolang de bezittende klassen niet alleen geen behoefte aan bevrijding bespeuren, maar ook het zichzelf bevrijden van de arbeidersklasse uit alle macht tegenwerken, zal de arbeidersklasse wel gedwongen zijn de sociale omwenteling alleen voor te bereiden en door te voeren. Ook de Franse burgers van 1789 verklaarden dat de bevrijding van de bourgeoisie met de emancipatie van heel het menselijk geslacht gelijkstond; adel en geestelijkheid wilden dat echter niet inzien. Hoewel deze bewering toentertijd, voor zover het feodalisme erbij betrokken was, een onmiskenbare, abstracte, historische waarheid inhield, ontaardde zij al spoedig in een puur sentimentele frase en ging zij in het vuur van de revolutionaire strijd geheel in rook op. Tegenwoordig zijn er ook mensen genoeg die vanuit de onpartijdigheid van hun hogere standpunt, de arbeiders een boven alle klassentegenstellingen en klassenstrijd verheven socialisme voorpreken. Maar zij zijn of nieuwelingen die nog een massa leren moeten, of de ergste vijanden van de arbeiders: wolven in schaapsvacht.

In de tekst wordt gesteld dat de cyclus van de grote industriële crises vijf jaar is. Dit was de tijdsduur die scheen te volgen uit de loop van de gebeurtenissen van 1825 tot 1842. De geschiedenis van de industrie van 1842 tot 1868 bewees echter dat de werkelijke periode er een van tien jaar is en dat de crises daartussen van secondair karakter waren en sinds 1842 meer en meer verdwenen zijn. Sinds 1868 is de stand van zaken weer veranderd, maar daarover straks.

Ik heb er zelfs niet aan gedacht uit de tekst de vele voorspellingen te schrappen en vooral niet die betreffende een voor de deur staande sociale revolutie in Engeland, waaraan ik in mijn jeugdige overmoed toen geloofde. Ik heb geen reden om mijn werk en mijzelf beter voor te stellen dan wij beiden toen waren. Wonderbaarlijk is niet dat zovele van deze voorspellingen fout waren, maar dat zovele uitgekomen zijn en dat de kritieke toestand van de Engelse industrie als gevolg van continentale en vooral Amerikaanse concurrentie sindsdien werkelijk ingetreden is, al voorzag ik die toen in een veel te nabije toekomst. Met betrekking tot dit punt ben ik verplicht het boek met de huidige stand van zaken in overeenstemming te brengen. Dit doe ik door hierbij een artikel weer te geven, dat in het Engels in de Londense ‘Commonweal’ van 1 maart 1885 en in het Duits in de ‘Neue Zeit’ No. 6, in juni van hetzelfde jaar verscheen.

‘Veertig jaar geleden stond Engeland voor een crisis die alleen nog met geweld scheen opgelost te kunnen worden. De enorme en snelle ontwikkeling van de industrie had de uitbreiding van buitenlandse markten en de toename van de vraag ver overtroffen. Elke tien jaar werd de voortgang van de productie gewelddadig onderbroken door een algemene handelscrisis waarop na een lange periode van chronische stagnatie enkele korte jaren van voorspoed volgden, wat dan steeds weer eindigde in koortsachtige overproductie met aan het slot een nieuwe instorting. De kapitalistenklasse eiste luid vrije handel in graan en dreigde deze te zullen afdwingen door de hongerende stadsbevolking terug te sturen naar het platteland, waar zij vandaan was gekomen. Dit echter, zoals John Bright zei, “niet als noodlijdenden die om brood bedelen, maar als een leger dat op vijandelijk gebied kwartier maakt.” De arbeidersmassa’s in de grote steden eisten hun aandeel op aan de politieke macht: het Volkscharter[19]. Zij werden door de meerderheid van de kleinburgerij ondersteund. Het enige punt van verschil tussen chartisten en kleinburgerij was of het charter met geweld dan wel langs wettige weg verwerkelijkt zou worden. Toen kwamen de handelscrisis van 1847 en de Ierse hongersnood en met beide de mogelijkheid van een revolutie.

De Franse Revolutie van 1848 redde de Engelse bourgeoisie. De socialistische proclamaties van de overwinnende Franse arbeiders schrikten de Engelse kleinburgerij af en desorganiseerden de beweging van de Engelse arbeiders die zich binnen engere, maar meer direct praktische grenzen afspeelde. Juist op het ogenblik dat het chartisme zijn volle kracht zou ontwikkelen zakte het innerlijk in elkaar, nog voor het op 10 april 1848 [20] uiterlijk instortte. De politieke activiteiten van de arbeidersklasse werden op de achtergrond gedrongen. De kapitalistenklasse had over de hele linie de overwinning behaald.

De parlementaire hervorming van 1831 [21] was de overwinning van de gezamenlijke kapitalistenklasse op de grondbezittende adel. De afschaffing van de graanrechten was de overwinning van de industriële kapitalisten, niet slechts op het grootgrondbezit, maar ook op die groepen van kapitalisten, wier belangen min of meer met die van het grondbezit overeenkwamen of verbonden waren: bankiers, beursmensen, renteniers enz. Vrijhandel betekende de omvorming van heel de Engelse binnen- en buitenlandse geld- en handelspolitiek in overeenstemming met de belangen van de industriële kapitalisten, de klasse die nu de natie vertegenwoordigde. En deze klasse maakte ernst met de zaak. Alles wat de industriële productie in de weg stond werd onverbiddelijk opgeruimd. De douanetarieven en heel het belastingstelsel werden grondig omgewerkt. Alles werd aan een enkel doel ondergeschikt gemaakt, maar dan aan een doel dat van uiterst belang voor de industriële kapitalisten is, te weten het goedkoop maken van alle grondstoffen en in het bijzonder van alle levensmiddelen voor de arbeidersklasse; van de productie van grondstoffen en het laag houden, hoewel ook nog niet het omlaag drukken van het arbeidsloon. Engeland moest ‘de werkplaats van de wereld’ worden en alle andere landen moesten voor Engeland worden, wat Ierland al was: markten voor zijn industrieproducten en bronnen voor de levering van zijn grondstoffen en levensmidelen. Engeland, het grote industriële middelpunt van een landbouwende wereld, met een steeds groeiend aantal graan en katoen producerende satellieten die om de industriële zon draaien. Wat een heerlijk vooruitzicht!

De industriële kapitalisten begonnen aan de verwerkelijking van hun grote doel met het krachtige, gezonde mensenverstand en de verachting voor overgeleverde principes waardoor zij zich altijd onderscheiden hebben van hun meer bekrompen concurrenten op het continent. Het chartisme was aan het uitsterven. De terugkeer van de opbloei in zaken, natuurlijk en bijna vanzelfsprekend nadat de krach van 1847 uitgewerkt was, werd uitsluitend op rekening van de vrijhandel gezet. Tengevolge van beide omstandigheden was de Engelse arbeidersklasse politiek het aanhangsel geworden van de ‘grote liberale partij’, de door de fabrikanten aangevoerde partij. Dit voordeel moest, eenmaal verkregen, verankerd worden. En uit de heftige oppositie van de chartisten, niet tegen de vrijhandel maar tegen het maken van de vrijhandel tot de enige levensvraag van de natie, hadden de fabrikanten begrepen en begrepen zij elke dag beter, dat de bourgeoisie nooit anders volledige sociale en politieke heerschappij over de natie verwerven kan, dan met hulp van de arbeidersklasse. Zo wijzigde zich langzamerhand de wederzijdse houding van de beide klassen. De fabriekswetten, eens het schrikbeeld van alle fabrikanten, werden nu niet alleen gewillig door hen nageleefd, maar min of meer over de gehele industrie uitgebreid. De vakverenigingen, kort tevoren nog voor duivelswerk uitgemaakt, werden nu door de fabrikanten vertroeteld en beschermd als uiterst gerechtvaardigde instellingen en als nuttig instrument om gezonde economische ideeën onder de arbeiders te verbreiden. Zelfs stakingen, die vóór 1848 in de ban waren gedaan, werden nu soms heel nuttig gevonden, vooral wanneer zij door de heren fabrikanten zelf ter gelegener tijd uitgelokt waren. Van de wetten die de arbeider van gelijk recht tegenover zijn werkgever beroofd hadden, werden althans de ergerlijkste afgeschaft. En het eens zo verschrikkelijk Volkscharter werd nu in hoofdzaak tot het politiek program van diezelfde fabrikanten die er zich tot het laatst tegen verzet hadden. De afschaffing van de verkiesbaarheidsbeperkingen en de geheime stemming zijn bij de wet ingevoerd. De parlementaire hervormingen van 1867 [22] en 1884 [23] naderen al sterk het algemeen kiesrecht, tenminste zoals het nu in Duitsland bestaat. Het kieskringenontwerp dat het parlement nu bespreekt, schept gelijke kieskringen, over het geheel genomen althans niet minder gelijk dan in Frankrijk of Duitsland. Parlementaire vergoedingen en kortere mandaatsduur, zij het dan ook niet direct jaarlijks gekozen parlementen, komen in zicht als gewisse verworvenheden van de naaste toekomst. En toch zeggen enkele lieden, dat het chartisme dood zou zijn.

De revolutie van 1848 heeft, zoals vele van haar voorgangers, vreemde lotgevallen gehad. Dezelfde mensen die haar onderdrukten zijn, zoals Karl Marx placht te zeggen, haar executeurs-testamentair geworden. Lodewijk Napoleon was gedwongen een verenigd en onafhankelijk Italië te scheppen, Bismarck was gedwongen om Duitsland op zijn manier te veranderen en Hongarije een betrekkelijke onafhankelijkheid terug te geven. En de Engelse fabrikanten hebben niets beters te doen dan het Volkscharter kracht van wet te geven.

De uitwerking op Engeland van deze heerschappij van de industriële kapitalisten was aanvankelijk verbazingwekkend. De zaken leefden weer op en breidden zich uit in een mate die zelfs voor deze bakermat van de moderne industrie ongekend was. Alle vroegere geweldige scheppingen van stoom en mechanisatie zonken in het niet vergeleken bij de enorme vlucht die de productie in de twintig jaar van 1850 tot 1870 nam, met zijn overweldigende cijfers van in- en uitvoer, van zich in handen van de kapitalisten ophopende rijkdom en van zich in reuzensteden concentrerende menselijke arbeidskracht. Wel werd de vooruitgang als voorheen door een alle tien jaar terugkerende crisis onderbroken: in 1857 zo goed als in 1866. Maar deze terugslagen golden thans als natuurlijke, onvermijdelijke gebeurtenissen waar men nu eenmaal doorheen moet en die uiteindelijk toch weer in het goede spoor komen.

En de toestand van de arbeidersklasse in deze periode? Tijdelijk was er verbetering, zelfs voor de grote massa. Maar deze verbetering werd telkens weer tenietgedaan door de toevloed van een grote menigte van werkloze reserves, de voortdurende verdringing van arbeiders door nieuwe machines en de trek naar de stad van landarbeiders die nu ook meer en meer door machines verdrongen werden.

Een duurzame stijging is slechts te vinden bij twee beschermde groepen van de arbeidersklasse. Daarvan zijn de fabrieksarbeiders de eersten. Het ten behoeve van hen wettelijk vastleggen van een, althans naar verhouding rationele normale arbeidsdag bracht hun betrekkelijk herstel van lichamelijke conditie en een moreel overwicht dat nog gesterkt werd door hun concentratie op één plaats. Hun toestand is onmiskenbaar beter dan voor 1848. Het beste bewijs daarvoor is dat van de tien stakingen die uitbreken, negen door de fabrikanten zelf in hun eigen belang uitgelokt zijn als enig middel om de productie in te krimpen. Je kunt er de fabrikanten toch niet toe brengen allen onderling overeen te komen om korter te werken, hoe onverkoopbaar hun producten ook zijn mogen. Breng echter de arbeiders tot staken en de kapitalisten sluiten hun fabrieken tot de laatste man.

Ten tweede de grote vakverenigingen. Dat zijn de organisaties in de productietakken, waarin alleen arbeid van volwassen mannen bruikbaar is of althans overheerst. Hier is noch de concurrentie, noch vrouwen- en kinderarbeid, noch de machine tot nu toe in staat geweest hun georganiseerde kracht te breken. De machinebankwerkers, de timmerlieden en meubelmakers, de bouwvakarbeiders zijn elk op zichzelf zo een macht dat zij zich zelfs, zoals de bouwvakarbeiders dat doen, met succes tegen het invoeren van machines kunnen verzetten. Hun toestand is ongetwijfeld sedert 1848 opvallend verbeterd. Het beste bewijs daarvoor is dat sinds meer dan vijftien jaar niet alleen hun werkgevers met hen, maar zij ook met hun patroons uiterst tevreden zijn geweest. Zij vormen een aristocratie binnen de arbeidersklasse; zij hebben het klaargespeeld om zich een betrekkelijk comfortabele positie te veroveren en deze toestand beschouwen zij als blijvend. Zij zijn de voorbeeldige arbeiders van de heren Leone Levi en Giffen (en ook van de kleinburger Lujo Brentano) en zij zijn inderdaad zeer fatsoenlijke, handelbare lieden voor iedere verstandige kapitalist afzonderlijk zowel als voor de kapitalistenklasse in het algemeen.

Wat echter de grote massa van de arbeiders betreft, voor hen zijn de ellende en bestaansonzekerheid heden net zo groot, zo niet groter dan ooit. Het Londense East-End[24] is een zich steeds uitbreidend moeras van stagnerende ellende en wanhoop, van hongersnood in geval van werkloosheid, van lichamelijke en morele vernedering bij de arbeid. En zo is het in alle andere grote steden met uitzondering alleen voor de bevoorrechte minderheid van arbeiders; zo is het ook in de kleinere steden en in de plattelandsdistricten. De wet die de waarde van de arbeidskracht tot de prijs van de noodzakelijke levensmiddelen beperkt en de andere wet die haar gemiddelde prijs doorgaans tot het minimum van deze levensmiddelen neerdrukt, deze beide wetten werken op hen met de onweerstaanbare kracht van een automatische machine die hen tussen haar raderen verdrukt.

Zo was dus de toestand, geschapen door de vrijhandelspolitiek van 1847 en door de twintigjarige heerschappij van de industriekapitalisten. Maar toen kwam er een keerpunt. Op de crisis van 1866 tegen 1873 volgde werkelijk een korte en lichtelijke opleving in zaken, die echter niet van lange duur was. Inderdaad hebben we in 1877 of 1878, toen zij had moeten komen, geen volledige crisis doorgemaakt, maar sinds 1876 leven wij in een toestand van chronische verzanding van alle belangrijke takken van industrie. Een volledige instorting wil evenmin intreden als de lang verwachte tijd van opbloei in zaken, waarop wij recht meenden te hebben zowel voor als na de krach. Een dodelijke druk, een chronisch overvoerde markt in alle bedrijfstakken, dat is de toestand waarin wij ons sinds bijna tien jaar bevinden. Hoe komt dat?

De vrijhandelstheorie ging van deze veronderstelling uit: Engeland zou het enige grote industriecentrum van een landbouwende wereld worden. Maar de feiten hebben deze veronderstelling volkomen gelogenstraft. De voorwaarden voor de moderne industrie — stoom en machines — zijn overal tot stand te brengen waar brandstoffen, met name kolen zijn. En naast Engeland hebben ook andere landen kolen: Frankrijk, België, Duitsland, Amerika, zelfs Rusland. En de mensen in deze landen waren niet van mening dat het in hun belang zou zijn om, enkel en alleen tot grotere roem en rijkdom van de Engelse kapitalisten, Ierse hongerpachters te worden. Zij begonnen te produceren, niet slechts voor zichzelf maar ook voor de rest van de wereld, en het gevolg is dat het industriemonopolie dat Engeland bijna een eeuw lang bezeten heeft, thans onherroepelijk doorbroken is.

Maar het Engelse industriemonopolie is de hoeksteen van het bestaande Engelse maatschappelijke systeem. Zelfs toen dit monopolie bestond konden de markten het groeitempo van de productiviteit van de Engelse industrie niet bijhouden. De crises van elke tien jaar waren daarvan het gevolg. En thans worden nieuwe markten met de dag zeldzamer, en wel zo zeer dat zelfs aan de Congonegers de civilisatie opgedrongen moet worden, die voortvloeit uit het katoen van Manchester, het aardewerk van Staffordshire en de metaalwaren van Birmingham. Wat zal het gevolg zijn, wanneer continentale en vooral Amerikaanse waren in steeds toenemende stroom zullen komen opdagen en wanneer het nu de Engelse fabrieken nog toevallende leeuwendeel aan de verzorging van de wereld van jaar tot jaar inschrompelt? Antwoord daar eens op, jij universeel middel de vrijhandel!

Ik ben niet de eerste die hierop wijst. Al in 1833 zei de heer Inglis Palgrave, president van de economische sectie van de British Association, op de bijeenkomst in Southport ronduit, dat de dagen van de grote bedrijfswinsten in Engeland voorbij waren en een pauze ingetreden was in de verdere ontwikkeling van verschillende grote takken van industrie. Men zou bijna kunnen zeggen dat Engeland op het punt staat in een niet langer vooruitkomende toestand te geraken.

Maar wat zal het eind van dit alles zijn? De kapitalistische productie kan niet stabiel worden, zij moet groeien en zich uitbreiden óf sterven. Alleen het slinken van Engelands leeuwendeel aan de verzorging van de wereldmarkt betekent nu al stagnatie, ellende, overvloed aan kapitaal hier en overvloed aan werkloze arbeiders daar. Wat zal dan gebeuren als de toename van de jaarlijkse productie geheel tot stilstand gekomen is? Dit is de kwetsbare achilleshiel van de kapitalistische productie. Haar bestaansvoorwaarde is de noodzaak van voortdurende uitbreiding en deze voortdurende uitbreiding wordt nu onmogelijk. De kapitalistische productie komt op dood spoor. Elk jaar brengt Engeland nader tot het vraagstuk: óf de natie gaat kapot óf de kapitalistische productie. Welke van de twee zal eraan moeten geloven?

En de arbeidersklasse? Als zij zelfs tijdens de fabelachtige uitbreiding van handel en industrie in 1848 tot 1868, zulk een ellende moest doormaken, als grote massa ervan zelfs toen in het beste geval maar een voorbijgaande lotsverbetering doormaakte, terwijl slechts een kleine bevoorrechte, beschermde minderheid duurzaam voordeel oogstte, hoe zal het dan zijn wanneer deze glansperiode definitief ten einde loopt, wanneer de drukkende stagnatie niet alleen toeneemt, maar deze toegenomen toestand van dodelijke druk de duurzame, de normale toestand van de Engelse industrie wordt?

De waarheid is deze: zolang Engelands industriemonopolie duurde, profiteerde de Engelse arbeidersklasse tot op zekere hoogte ook van de voordelen van dit monopolie. Deze voordelen werden zeer ongelijk onder haar verdeeld: de bevoorrechte minderheid streek het grootste deel op, maar zelfs de grote massa had toch nu en dan tijdelijk ook iets. Dit is dan ook de reden waarom er sinds het uitsterven van het owenisme in Engeland geen socialisme bestond. Met de instorting van het monopolie zal de Engelse arbeidersklasse deze bevoorrechte positie verliezen. Zij zal algemeen — de bevoorrechte en leidende minderheid niet uitgezonderd - op zekere dag op hetzelfde peil zijn teruggebracht als dat van de arbeiders in het buitenland. En dat is de reden waarom er ook in Engeland weer socialisme zijn zal.’

Tot zover het artikel van 1885. In het Engelse voorwoord van 11 januari 1892 ging ik aldus voort:

‘Aan deze schildering van de toestand, zoals zij mij in 1885 voorkwam, heb ik maar weinig toe te voegen. Onnodig te zeggen dat er thans “werkelijk weer socialisme in Engeland is”, en wel massaal: socialisme van alle schakeringen, socialisme bewust en onbewust, socialisme in proza en in verzen, socialisme van de arbeidersklasse en van de burgerij. Want waarlijk, deze gruwel der gruwelen, het socialisme, is niet alleen respectabel geworden, maar het heeft zich alreeds in avondtoilet gestoken en luiert nonchalant op salonsofa’s. Dat bewijst weer eens hoe onverbeterlijk wispelturig de verschrikkelijke despoot van de “betere kringen” — de publieke opinie van de middenklasse — wel is en rechtvaardigt weer eens de verachting die wij, socialisten van een voorbije generatie, altijd voor deze publieke opinie hadden. Overigens hebben wij echter geen reden om over dit nieuwe symptoom te klagen.

Wat ik veel belangrijker vind dan deze momentele mode in bourgeoiskringen gewichtig te doen met een slap aftreksel van het socialisme, en zelfs belangrijker dan de voortgang die het socialisme in Engeland in het algemeen gemaakt heeft, is het hernieuwd ontwaken van het East-End te Londen. Dit onmetelijke pakhuis van ellende is niet meer het stilstaande water van zes jaar geleden; het heeft zijn doffe wanhoop afgeschud en is tot het leven teruggekeerd en de bakermat geworden van het “nieuw Unionisme” d.i. de organisatie der grote massa van “ongeschoolde” arbeiders. Al neemt deze organisatie in menig opzicht de vorm aan van de oude bonden van “geschoolde” arbeiders, toch is zij wezenlijk anders van karakter. De oude bonden bewaren de tradities van de tijd waarin ze opgericht werden: zij beschouwen het loonsysteem als een eens en voor altijd gegeven, voldongen toestand die zij in het gunstigste geval in het belang van hun leden iets kunnen verlichten. De nieuwe bonden werden daarentegen opgericht in een tijd dat het geloof aan het eeuwig voortbestaan van het loonsysteem al geweldig was ondermijnd. Hun stichters en leiders waren bewuste of gevoelssocialisten. De massa van toestromende leden die hun kracht uitmaakt, was ruw en verwaarloosd en werd door de arbeidersaristocratie met de nek aangezien. Maar zij hebben dit ene onschatbare voordeel: hun gemoederen zijn nog maagdelijke bodem, geheel vrij van de overgeërfde achtenswaardige bourgeoisvooroordelen die de geesten verwarren van de “oude” Unionisten, die het beter hebben. En zo zien wij thans dat deze nieuwe bonden de leiding van de hele arbeidersbeweging grijpen en de rijke en trotse “oude” bonden meer en meer op sleeptouw nemen.

Ongetwijfeld hebben de mensen van het Londense East-End kolossale bokken geschoten. Maar dat deden hun voorgangers ook en dat doen nog heden de doctrinaire socialisten die voor hen de neus optrekken. Een grote klasse leert, net als een grote natie, nooit sneller dan door de gevolgen van haar eigen vergissingen. En ondanks alle mogelijke fouten in verleden, heden en toekomst blijft het ontwaken van het Londense East-End een van de grootste en vruchtbaarste gebeurtenissen van dit “fin de siècle” en ik ben verheugd en trots het meegemaakt te hebben.’

Sinds ik dit zes maanden geleden schreef, heeft de Engelse arbeidersbeweging weer een flinke stap voorwaarts gedaan. De verkiezingen voor het parlement die enkele dagen geleden plaatsvonden, hebben de beide officiële partijen — de conservatieven zowel als de liberalen — volkomen op de hoogte gesteld van het feit dat zij beiden voortaan met een derde partij, de arbeiderspartij, rekening moeten houden. Deze arbeiderspartij is nog slechts aan het ontstaan; haar onderdelen zijn nog bezig zich van allerlei overgeërfde, zowel burgerlijke, als oude vakbewegings- en zelfs reeds doctrinair-socialistische vooroordelen te ontdoen om elkaar eindelijk op de voor hen allen gemeenschappelijke bodem te vinden. En toch was nu reeds het hen samendrijvende instinct zo groot dat het in Engeland tot op heden ongekende verkiezingsresultaten opleverde. In Londen stelden zich twee arbeiders kandidaat en wel openlijk als socialisten; de liberalen wagen het niet er een der hunnen tegenover te stellen en de twee socialisten worden met een overweldigende en onverwachte meerderheid van stemmen gekozen. In Middlesbrough stond een arbeiderskandidaat zowel tegenover een liberale als een conservatieve kandidaat en hij werd ondanks deze beide gekozen. De nieuwe arbeiderskandidaten die met de liberalen een verbond aangingen, werden echter, op één enkele uitzondering na, hopeloos verslagen. Van de aftredende, zogenaamde arbeidersvertegenwoordigers — d.w.z. de lieden die men hun arbeider-zijn vergeeft omdat zij dit zelf het liefst in de oceaan van hun liberalisme zouden doen ondergaan — is Henry Broadhurst, de belangrijkste vertegenwoordiger van het oude Unionisme, glansrijk verslagen omdat hij had verklaard tegen de achturendag te zijn. In twee kieskringen van Glasgow, in één van Salford en nog in enkele andere traden onafhankelijke arbeiderskandidaten op tegen kandidaten van beide oude partijen; zij werden verslagen, maar de liberale kandidaten ook. Kortom in een aantal kieskringen in grote steden en industriedistricten hebben de arbeiders zich beslist van alle verbindingen met de beide oude partijen losgemaakt en daarmee directe of indirecte resultaten behaald, als bij geen vorige verkiezing ooit het geval was. En daarover heerst onder de arbeiders onnoemelijke vreugde. Voor het eerst hebben zij gezien en gevoeld wat ze kunnen wanneer zij hun stemrecht in het belang van hun klasse gebruiken. Het bijgeloof aan de ‘grote liberale partij’, dat de Engelse arbeiders bijna veertig jaar in de ban hield, heeft afgedaan. Overtuigende voorbeelden toonden hen dat zij, de arbeiders, indien ze willen en indien ze weten, wat ze willen, de beslissende macht in Engeland zijn. En de verkiezingen van 1892 zijn de aanvang van het weten en willen geweest. Voor de rest zal de continentale arbeidersbeweging zorgen; de in parlementen en plaatselijke raden al zo rijkelijk vertegenwoordigde Duitsers en Fransen zullen door verdere successen de wedijver van de Engelsen wel voldoende op gang houden. En als in de niet meer verre toekomst blijkt dat dit nieuwe parlement niets met de heer Gladstone en de heer Gladstone niets met dit parlement kan aanvangen, dan zal de Engelse arbeiderspartij ook wel sterk genoeg zijn geworden om aan het schommelspel der beide oude, elkaar in de regering aflossende en juist daardoor de bourgeoisheerschappij vereeuwigende partijen binnenkort een eind te maken.

21 juli 1892
F. Engels

Vertaling uit het Duits. K. Marx, F. Engels Werke, dl. 22. Berlijn 1963, blz. 316-330.

Waar ‘Red’ staat, is dit van Uitgeverij Progres. Niet van MIA.
[1] Engels schreef zijn opdracht Aan de werkende klasse van Groot-Brittannië in het Engels, daar hij van plan was deze afzonderlijk te laten drukken en aan verschillende leiders van Engelse politieke partijen, aan schrijvers en parlementsleden te sturen. In de Duitse uitgaven van De toestand van de arbeidersklasse in Engeland van 1845 en 1892 werd de opdracht in het Engels afgedrukt, in de Amerikaanse (1887) en de Engelse (1892) uitgave werd hij niet opgenomen. — Red.
[2] Engels ministerie van Binnenlandse zaken. — Red.
[3] Bedoeld wordt de opstand van de Silezische wevers van 4-6 juni 1844 — het eerste grote klassengevecht tussen het proletariaat en de bourgeoisie in Duitsland — en ook de gisting onder de Tsjechische arbeiders, o.a. onder de wevers in de omgeving van Praag in de zomer van 1844. — Red.
[4] In het Duitse origineel: Mittelklasse. — Red.
[5] Wij brengen hier slechts een deel van het Aanhangsel van de Amerikaanse uitgave van 1887 omdat het overige deel door Engels werd opgenomen in het voorwoord bij de tweede Duitse druk van 1892. — Red.
[6] Dit artikel van F. Engels werd gedrukt als ‘Woord vooraf’ bij de door F. Kelley-Wischnewetsky vertaalde en in mei 1887 te New York verschenen Amerikaanse editie van De toestand van de arbeidersklasse in Engeland.
[7] Het ‘Aanhangsel’ werd later door Engels opgenomen in de Voorrede bij de tweede Duitse oplage (1892) van De toestand van de arbeidersklasse in Engeland. — Red.
[8] Bedoeld wordt de staking van meer dan 10.000 mijnwerkers in Pennsylvania (VS) in 1886 (22-26 febr.). Tijdens de staking werd de eis van de hoogoven- en cokesovenarbeiders tot loonsverhoging en verbetering van de arbeidsvoorwaarden ten dele ingewilligd. — Red.
[9] Bedoeld is de algemene staking in de VS die op 1 mei 1886 begon onder de leuze van strijd voor de achturige werkdag; de staking breidde zich uit over de voornaamste industriecentra van het land: New York, Philadelphia, Chicago, Louisville, Saint-Louis, Milwaukee en Baltimore; dank zij de staking werd de werkdag van ongeveer 200.000 arbeiders verkort. De ondernemers gingen echter meteen tot de tegenaanval over: op 4 mei werd in Chicago met provocatorisch doel een bom op een afdeling politiemannen gegooid, hetgeen aanleiding gaf om wapens tegen de arbeiders te gebruiken en er enkele honderden te arresteren. Er werd een gerechtelijk proces georganiseerd, waarop leiders van de arbeidersbeweging in Chicago tot strenge straffen veroordeeld werden; vier van hen werden in november 1887 gehangen. In de volgende jaren werden de door de Amerikaanse arbeiders bij de meistaking van 1886 behaalde successen door de ondernemers tenietgedaan. Ter ere van deze staking werd op het Internationale Socialistische Arbeiderscongres van 1889 te Parijs het besluit genomen tot de jaarlijkse viering van de Eerste Mei door de arbeiders in de gehele wereld. — Red.
[10] Tijdens de verkiezingscampagne voor de gemeenteraad van New York in de herfst van 1886 werd de Verenigde Arbeiderspartij opgericht met het doel de politieke activiteiten van de arbeidersklasse te verenigen. De initiatiefnemer hiervan was de New Yorkse Centrale Arbeidersunie - een stedelijke vakbondscentrale die sinds 1882 bestond. Naar het voorbeeld van New York werden ook in een groot aantal andere steden dergelijke partijen gesticht. Bij de verkiezingen in New York, Chicago en Milwaukee behaalde de arbeidersklasse onder leiding van deze nieuwe partijen belangrijke successen: de kandidaat van de Verenigde Arbeiderspartij voor de post van burgemeester van New York, Henry George, verenigde 51 % van de stemmen op zich; in Chicago brachten de voorstanders van de arbeiderspartij één lid in de Senaat van de wetgevende vergadering van deze staat en negen leden in het Huis van Afgevaardigden ervan, de kandidaat voor het Congres van de VS kwam slechts 64 stemmen te kort; in Milwaukee werd de kandidaat van de arbeiderspartij tot burgemeester gekozen, één kandidaat werd in de Senaat en zes werden er in het Huis van Afgevaardigden van de wetgevende vergadering van de staat verkozen, terwijl ook een vertegenwoordiger van die partij in het Congres van de VS zitting kreeg. — Red.
[11]Ridders van de Arbeid’ — Verkorte benaming van de Orde der Ridders van de Arbeid — een in 1869 te Philadelphia opgerichte organisatie van Amerikaanse arbeiders met een half-mystiek ritueel. De bloei van deze organisatie viel in de jaren tachtig toen de ‘Ridders van de Arbeid’ deelnamen aan de grote stakingsbeweging. In deze periode telde de organisatie meer dan 600.000 leden, waaronder 60.000 negers. De onjuiste houding van de leiders die deelname van de arbeiders aan de politieke strijd in feite van de hand wezen, leidde echter langzamerhand tot verlies van de invloed van de Orde onder de massa en tegen het einde van de jaren negentig viel de organisatie uiteen.- Red.
[12] Karl Marx/Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest Hoofdstuk 2 ‘Proletariërs en communisten’ en hoofdstuk 4 ‘De stellingname van de communisten ten opzichte van de verschillende oppositionele partijen’.
[13] De uitdrukking ‘het industriële Jena’ moet opgevat worden in de zin van ‘industriële echec’. Bij Jena (Thuringen) werd het Pruisische leger in 1806 door de strijdkrachten van Napoleon verslagen. In Philadelphia werd in 1876 een Wereldindustrietentoonstelling gehouden. — Red.
[14] De graanwetten betroffen hoge invoerrechten op graan, in 1815 door het Engelse parlement aangenomen in het belang van de grondbezitters-landlords. De graanwetten drukten niet alleen buitengewoon zwaar op de armste lagen van de bevolking maar waren ook onvoordelig voor de industriële bourgeoisie omdat zij de prijs van de arbeidskracht verhoogden, het opnemingsvermogen van de binnenlandse markt beperkten en de ontwikkeling van de buitenlandse handel belemmerden. De strijd tussen de industriële bourgeoisie en de grondbezittersaristocratie om de graanwetten liep daarop uit dat in 1846 een ‘bill’ op de intrekking ervan werd aangenomen. De opheffing van de graanwetten was een, zware slag voor de landaristocratie en werkte de snelle ontwikkeling van het kapitalisme in Engeland in de hand. — Red.
[15] Een beschrijving van het truckstelsel en het cottagesysteem werd door Engels in dit boek gegeven. In 1831 werd het systeem wettelijk verboden, maar vele fabrikanten overtraden deze wet. De door het Engelse parlement op 8 juni 1847 aangenomen wet op de tienurendag betrof alleen niet-volwassenen en arbeidsters. — Red.
[16] De Engelse vakbonden. — Red.
[17] Klein Ierland — een arbeiderswijk in Manchester in de veertiger jaren van de 19e eeuw. Seven Dials — een arbeiderswijk in het centrum van Londen. — Red.
[18] Bedoeld is ‘Report of the Royal Commission on the Housing of the Working Classes. England and Wales’, 1885. — Red.
[19] Het volkscharter dat de eisen van de chartisten inhield, werd gepubliceerd op 8 mei 1838 als wetsontwerp, bestemd om aan het parlement voorgelegd te worden: het charter bevatte zes punten: algemeen stemrecht (voor de mannen vanaf 21 jaar), jaarlijkse parlementsverkiezingen, geheime stemming, gelijkstelling in rechten van alle kieskringen, afschaffing van de (bezits) census, vergoeding voor de parlementsleden. De drie door de chartisten bij het parlement ingediende petities met de eis dat het Volkscharter aangenomen zou worden werden in 1839, 1842 en 1849 verworpen. — Red.
[20] Voor 10 april 1848 was door de chartisten te Londen een massademonstratie belegd die naar het parlementsgebouw zou trekken om er de derde petitie voor het aannemen van het Volkscharter aan te bieden. De regering verbood de demonstratie, ter verhindering ervan werden troepen en politie in Londen samengetrokken. De chartistenleiders besloten van het houden van de demonstratie af te zien en haalden de massa’s betogers ertoe over uiteen te gaan. Het mislukken van de demonstratie werd door de krachten van de reactie gebruikt voor een offensief tegen de arbeiders en voor represailles tegen de chartisten. — Red.
[21] Hier is sprake van de kiesrechthervorming waarvan de bill in 1831 door het Engelse Lagerhuis werd aangenomen en in juni 1832 door het Hogerhuis definitief werd bekrachtigd. De hervorming was gericht tegen het politieke monopolie van de landadel en de financiers-aristocratie en opende de deuren van het parlement voor vertegenwoordigers van de industriële bourgeoisie. Het proletariaat en de kleine burgerij, die in de hervormingsstrijd de belangrijkste kracht waren geweest, werden bedrogen door de liberale bourgeoisie en kregen geen stemrecht. — Red.
[22] In 1867 kwam in Engeland onder druk van de massale arbeidersbeweging de tweede parlementaire hervorming er door. Bij de nieuwe wet werd de verkiezingscensus in de graafschappen verlaagd voor pachters tot 12 pond sterling pacht per jaar; in de steden werd het stemrecht verleend aan alle huiseigenaars en verhuurders van huizen, alsmede aan de huurders die minstens één jaar op de gegeven plaats woonden en aan woninghuur niet minder dan 10 pond sterling betaald hadden. Als resultaat van de hervorming van 1867 werd het aantal stemgerechtigden in Engeland ruim tweemaal zo groot. Ook een zeker deel van de geschoolde arbeiders kreeg kiesrecht. — Red.
[23] In 1884 werd in Engeland onder druk van de massabeweging op het platteland de derde parlementaire hervorming doorgevoerd. Het kiesrecht van 1867 voor de inwoners van de stadsdistricten gold nu ook voor de plattelandsbevolking. Ook na de derde kiesstelselhervorming in Engeland hadden brede lagen van de bevolking nog geen stemrecht: het plattelandsproletariaat, de arme bevolking in steden en alle vrouwen. De geheime stemming werd in 1872 ingevoerd. — Red.
[24] East-End — wijk van de Engelse hoofdstad, waar overwegend proletariërs en andere minvermogende bevolkingslagen wonen. — Red.