Ernest Mandel
De economische theorie van het marxisme
Hoofdstuk 10


Reproductie en groei van het nationaal inkomen

Nieuwe waarde, nieuwe inkomsten en overgedragen inkomsten

Een samenleving die geen andere economische activiteit kent dan de kapitalistische warenproductie, kent geen andere inkomsten dan die welke door deze productie geschapen worden. De arbeidskracht heeft zoals we weten, een tweeledige functie: de waarde van het constante kapitaal (voorraad machines, grondstoffen, gebouwen) in stand te houden door een gedeelte van deze waarde over te dragen op de waarde van de dagelijks geproduceerde waren,[1] en de totale nieuwe waarde te produceren waarover de samenleving kan beschikken. De eerste hoedanigheid maakt het mogelijk de geaccumuleerde voorraad maatschappelijke rijkdom en arbeidsmiddelen in stand te houden die het gemiddelde niveau van de arbeidsproductiviteit en de materiële beschaving van de maatschappij bepaalt. De tweede hoedanigheid maakt het mogelijk een inkomen – een ‘toegevoegde waarde’ – te scheppen, dat zich in een kapitalistische maatschappij splitst in inkomen uit arbeid (lonen) enerzijds en inkomen uit kapitaal (meerwaarde) anderzijds.

In de praktijk echter kent de burgerlijke samenleving – de enige die de warenproductie uitbreidt tot op wereldschaal – nog andere economische activiteiten en nog andere bronnen van inkomsten naast deze kapitalistische warenproductie. De volgende sectoren kunnen dan ook onderscheiden worden:

a. De sector van de eenvoudige warenproductie die in de kapitalistische samenleving blijft bestaan (ambachtslieden en kleine boeren die zonder loonarbeiders in te schakelen werken voor de markt);

b. De sector van de distributie en die van het – voor de consumptie niet-noodzakelijke – transport van de waren. De loonarbeiders uit deze sector worden betaald uit een gedeelte van het maatschappelijk kapitaal; de kapitalisten strijken een gedeelte van de maatschappelijke meerwaarde op;[2]

c. De dienstensector waarvan de bedrijven (kapitalistische ondernemers en loonarbeiders) gespecialiseerde arbeid leveren ten behoeve van de consumenten;

d. De sector van de openbare diensten waarvan de ambtenaren worden betaald door de staat en de lagere regeringsinstanties, en die diensten aan de consument verkopen (de verkoop van water, gas en elektriciteit door staatsbedrijven moet in de sector van de warenproductie geplaatst worden; in feite gaat het hier om de verkoop van materiële goederen en niet van gespecialiseerde arbeid);

e. De openbare diensten die gratis door de staat of door staatsbedrijven aan de consumenten geleverd worden (gratis onderwijs, enzovoort);

f. De productie van gebruikswaarden die niet op de markt verschijnen: de productie van de zogenaamde subsistence farmers; de productie in het huishouden; knutselwerk, enzovoort.

Van deze zes sectoren, die buiten de kapitalistische warenproductie in de eigenlijke zin van het woord vallen, behouden de eerste vier de uiterlijke vorm van koop en verkoop. Behalve in het eerste geval – een waardeproductie die niet gepaard gaat met een productie van meerwaarde[3] – geldt het hier niet de koop en verkoop van materiële goederen, maar van arbeidstijd, gespecialiseerde arbeid, enzovoort. De laatste twee sectoren maken geen deel uit van de warenproductie als zodanig.

In de kapitalistische samenleving leidt de warencirculatie tot de productieve of onproductieve consumptie van deze waren; de tussenfasen die deze waren doorlopen voordat ze geconsumeerd worden, scheppen geen nieuwe waarde. De bedrijven die deze waren tijdens deze fasen in hun bezit hebben, kunnen alleen maar winst maken door zich een gedeelte van de eerder tijdens de productie geproduceerde meerwaarde toe te eigenen. Maar de distributieactiviteiten scheppen nieuwe inkomsten – inkomsten van de loontrekkenden en bezoldigden in de distributiesector. Deze inkomsten zijn niet een gedeelte van de door de productieve arbeiders voortdurend geproduceerde meerwaarde; zij vertegenwoordigen een gedeelte van het in deze sector geïnvesteerde maatschappelijke kapitaal.

Hebben deze inkomsten de neiging het loon van de industriearbeiders te verminderen? Een dergelijke stelling kan slechts verdedigd worden wanneer men uitgaat van de theorie van het ‘loonfonds’: volgens deze theorie staat het totale bedrag van het in een bepaalde tijdsspanne uitgekeerde loon van te voren vast. In werkelijkheid zou dit slechts juist zijn, wanneer al het beschikbare maatschappelijke kapitaal volledig geïnvesteerd zou zijn, anders gezegd: wanneer ieder bedrag dat niet in de handel (of de dienstensector) geïnvesteerd is, automatisch in de industrie geïnvesteerd zou worden en wanneer de organische samenstelling van het kapitaal strak en onveranderlijk zou zijn.

In feite is daar geen sprake van. De verdeling van het maatschappelijk kapitaal over de verschillende economische sectoren; de verdeling van het inkomen in meerwaarde (nieuw potentieel kapitaal) en lonen; van de gekapitaliseerde meerwaarde in nieuw constant kapitaal en nieuwe lonen (variabel kapitaal); de verdeling van spaargelden (nieuw potentieel kapitaal) in investering en oppotting – dit alles is afhankelijk van talrijke betrekkingen en veelvuldige mechanismen die veel ingewikkelder zijn dan de aanhangers van de theorie van het ‘loonfonds’ wel vermoeden.[4]

De warenproductie en de verdeling van het beschikbare maatschappelijke kapitaal scheppen dus in wezen de inkomsten van arbeiders (productieve en onproductieve) en de inkomsten van kapitalisten (in de verschillende investeringsgebieden van het kapitaal). De circulatie van de inkomsten echter maakt het geheel gecompliceerder; wanneer deze inkomsten een waar kopen, realiseren deze inkomsten alleen maar hun waarde en zij scheppen geen nieuwe inkomsten; wanneer diezelfde inkomsten diensten kopen,[5] wekken ze de illusie dat zij nieuwe inkomsten doen ontstaan. In werkelijkheid zijn ze alleen maar overgedragen.

De grens tussen nieuwe inkomsten en overgedragen inkomsten is niet gemakkelijk te trekken. Dit is echter noodzakelijk voor een juiste beoordeling van de economische groei, voor het vergelijken in tijd en ruimte van het nationaal inkomen. Wanneer het erom gaat dit inkomen te berekenen in één enkel land in een zeer korte tijdsspanne, kan dit als een zuiver alledaags probleem beschouwd worden; maar wanneer het erom gaat deze berekening uit te breiden tot een lange periode en er internationale vergelijkingen in te verwerken, wordt het een probleem van vitaal belang.

Wanneer het onderscheid tussen nieuwe waarde, nieuw geschapen maatschappelijk inkomen en louter overgedragen inkomsten verwaarloosd wordt, leidt dit tot afschuwelijke contradicties, zoals de vermaarde paradox van Pigou. Telt men bij het nationaal inkomen van een land de lonen van het huispersoneel, dan komt men tot de conclusie dat het nationaal inkomen daalt – dat het land armer wordt – wanneer vrijgezellen met hun huishoudsters trouwen, die vanaf dat moment geen loon meer ontvangen hoewel ze toch hetzelfde werk als vóór hun huwelijk verrichten (3). Wanneer een miljoen bedelaars producent zouden worden (bijvoorbeeld in de agrarische sector ten gevolge van binnenlandse kolonisatie), zou de nationale rijkdom in geen enkel opzicht toenemen, als tenminste de geldelijke inkomsten van de boeren in deze sector niet hoger zijn dan de geldelijke inkomsten die zij vroeger als bedelaars ontvingen.[6]

De houding van de academische wetenschap in deze is tegenstrijdig. In het nationaal inkomen rekent zij niet mee een hele reeks betaalde activiteiten of als inkomensoverdracht beschouwde inkomsten (met name de inkomsten van werklozen, politie, het openbaar brandweerkorps, enzovoort) (5).[7] Het merendeel van deze activiteiten echter rekent zij wel mee als ze van particulieren en niet meer van de staat uitgaan. Elke doorberekening van de indirecte belastingen in de prijzen verwerkt zij niet in het nationaal inkomen, maar wel berekent zij daarentegen de – vaak volledig willekeurige – prijsstijgingen in de dienstensector, die evenwel geen nieuwe waarde scheppen, maar enkel en alleen de inkomsten verhogen die van andere sectoren overgedragen worden op de dienstensector.

Natuurlijk kunnen de beide wél meegerekende reeksen elk voor verschillende doeleinden dienen. Het totaal van de inkomsten van alle huishoudens, particuliere en staatsbedrijven, levert gegevens op die noodzakelijk zijn voor verschillende analyses, bijvoorbeeld om te bepalen vanaf welk globaal geldelijk inkomen er gevaar voor inflatie bestaat bij een gegeven productiecapaciteit. Het totaal van de in de maatschappij nieuw geproduceerde nettowaarde is daarentegen een wezenlijk begrip bij het berekenen van de mogelijkheden en de successievelijke fasen in de economische groei. De berekening van het nationaal inkomen, zoals die heden ten dage in het westen door de officiële wetenschap wordt uitgevoerd, is een tweeslachtig compromis tussen deze twee gegevens en leidt voor beide gevallen tot ernstige vergissingen.

Verschillende schrijvers geven stilzwijgend de gegrondheid van deze stelling toe. William H. Whyte jr. stelt bijvoorbeeld in The Organization Man (6) terecht het volgende vast:

‘De overgrote meerderheid van de kleine firma’s kan niet in dezelfde context geplaatst worden als de grote corporations. In de eerste plaats zijn ze zelden bij de primaire productie betrokken. In de meeste gevallen zijn het wasserijen, assurantiekantoren, restaurants, apotheken, bottelarijen, houtwerven, agentschappen van auto’s. Zij zijn van vitaal belang, natuurlijk, maar in wezen leveren ze slechts diensten aan de economie; IN HUN GEBIED SCHEPPEN ZE GEEN NIEUW GELD, EN IN LAATSTE INSTANTIE ZIJN ZE AFHANKELIJK VAN DE ONDERNEMINGEN EN DE LANDBOUW DIE DAT GELD SCHEPPEN’ (hoofdletters van ons).[8]

Carl Shoup van zijn kant schrijft:

‘De analyse van het nationaal inkomen heeft betrekking op de productie en reserveert de term ‘investering’ voor alles wat samenhangt met de productie in heden of verleden. De koop van een aandeel is, zelfs wanneer het een nieuwe uitgifte betreft, in de terminologie van het nationaal inkomen geen investeringsdaad’ (8).[9]

En Simon Kuznets pleit, voor zover het vergelijkingen van het nationaal inkomen op internationaal vlak betreft, voor uitsluiting uit het nationaal inkomen van wat hij ‘de negatieve consequenties van de massale urbanisatie’ noemt (maar waarom ze dan wel insluiten in nationale schattingen?):

‘Een duidelijk voorbeeld is het vervoer van loonarbeiders van en naar hun werk – een activiteit die men moeilijk kan beschouwen als een directe bijdrage aan het welzijn van degenen die er gebruik van maken, en die slechts een tegenwicht is van het door de industriële productie op grote schaal geschapen ongemak dat degenen die actief aan deze productie deelnemen, wordt aangedaan.

[...] Betalingen aan banken, arbeidsbemiddelingsbureaus, verschillende makelaars, enzovoort, waarbij inbegrepen de betalingen voor technisch onderwijs, zijn geen betalingen voor eindproducten die degenen die er gebruik van maken, toekomen, maar zijn injecties om het mechanisme van de industriële maatschappij te oliën – activiteiten die wrijvingen in het productieve systeem moeten opvangen, maar die geen enkele tastbare bijdrage leveren aan de uiteindelijke consumptie’ (10).

Desalniettemin hebben deze fragmentarische beschouwingen het nog niet mogelijk gemaakt de berekeningswijze van het nationaal inkomen opnieuw op objectieve wijze, met behulp van duidelijk omschreven wetenschappelijke criteria aan een hernieuwd onderzoek te onderwerpen: een nationaal inkomen dat volgens Kuznets in de Verenigde Staten 20-30 pct. te hoog geschat zou zijn (11).

Om de (bruto)waarde van de productie van een land in één jaar vast te stellen, kan men niet eenvoudigweg de waarde van alle waren die een bedrijf in de loop van dat jaar verlaten, optellen. In dit geval immers wordt er onvermijdelijk dubbel geteld, omdat sommige eindproducten van het ene bedrijf als grondstoffen in de uiteindelijke waarde der producten van het andere bedrijf berekend worden. Men moet ofwel geheel abstraheren van alle producten die geen eindproducten zijn en eenvoudig aan de waarde van de jaarlijks geproduceerde eindproducten de schommelingen in de grondstofvoorraden toevoegen, ofwel alleen de in elke onderneming toegevoegde waarde optellen (12).

Precies op dezelfde wijze moet te werk gegaan worden bij het vaststellen van het nieuwe maatschappelijk inkomen van een land in dezelfde periode. Zoals niet zomaar de waarde van alle waren opgeteld kan worden, zo kunnen niet zomaar alle individuele inkomsten opgeteld worden. Duidelijk moet worden vastgesteld, welke – door de productie geschapen – inkomsten een zuivere bijdrage zijn aan het nationaal inkomen en welke inkomsten alleen maar het resultaat zijn van overdrachten door particulieren of staatsinstanties. Doet men dit niet, dan zullen de totale inkomsten dubbele posten bevatten, juist zoals dit het geval zou zijn bij het totaal van de prijzen van alle waren.

De staat, de meerwaarde en het maatschappelijk inkomen

Tot nu toe hebben we in het model van de ‘zuivere’ samenleving van warenproducenten slechts gesproken over mensen die werkzaam zijn in de distributiesector, evenals over mensen die persoonlijke diensten aan de consumenten verkopen. Hier moeten we nu alle economische verhoudingen aan toevoegen die kenmerkend zijn voor de activiteiten van wat men in de meest ruime betekenis van het woord ‘overheidsinstanties’ noemt.

Voor zover de staat zelf warenproducent is, behoren de door deze productie geschapen inkomsten natuurlijk tot het inkomen van de betreffende gemeenschap in haar geheel. In dat geval is het van weinig belang of de ‘winst’ (of het ‘verlies’), dat wil zeggen de gevormde meerwaarde, niet door een groep kapitalisten maar door het staatsbudget toegeëigend wordt. Eveneens is het van weinig belang dat de producenten de status van ambtenaar hebben.

In alle kapitalistische landen echter is het merendeel van de inkomsten van de staat en de inkomsten die hij verdeelt, niet ontstaan uit de productie en de verkoop van waren door de staat zelf. Deze inkomsten komen in hoofdzaak op vier wijzen tot stand:

a. Directe belastingen: de directe belastingen zijn een gedeelte van de door de warenproductie geschapen inkomsten, dus een gedeelte van de in de loop van een bepaalde periode geproduceerde lonen en meerwaarde.

b. Staatsleningen: door staatsleningen wordt een gedeelte van de geaccumuleerde nationale rijkdom overgedragen van particulieren op de staat. Hieraan kan een klein gedeelte van de lonen van de best gekwalificeerde arbeiders toegevoegd worden, dat aangewend wordt voor de aankoop van staatspapieren. De aldus door de staat verkregen inkomsten komen dus vooral voort uit de geaccumuleerde of te accumuleren meerwaarde, evenals uit de door de middenklassen gespaarde inkomsten, die zo in kapitaal worden omgezet. In ruil daarvoor draagt de staat een gedeelte van haar eigen lopende inkomsten over aan de inschrijvers op de leningen.

c. Indirecte belastingen: omzetbelasting, douanerechten, accijnzen, zoutbelasting, enzovoort. Het gaat hier niet om een gedeelte van de eerder geschapen inkomsten die op deze wijze herverdeeld worden, maar om een algemene toeslag op de verkoopprijs van de waren, die via een algemene prijsstijging leidt tot een daling van het reële inkomen van alle consumenten. Deze daling is niet evenredig aan het totale inkomen, maar uitsluitend aan het inkomen dat besteed wordt aan goederen waarop deze belastingen geheven worden. Welnu, de lonen worden bijna in hun geheel besteed aan deze goederen, terwijl de burgerlijke klassen een aanzienlijk gedeelte van hun inkomsten onttrekken aan een dergelijke consumptie. De indirecte belastingen drukken dus veel zwaarder op de arbeiders dan op de kapitalisten en zijn het geliefde fiscale middel van iedere reactionaire kapitalistische regering, voor zover tenminste de belasting op normale consumptiegoederen niet systematisch ten koste van luxegoederen verlaagd wordt.

d. De inflatoire uitgifte van bankbiljetten: wanneer de inflatoire uitgifte van bankbiljetten binnen de perken blijft, is dit voor de staat een reële bron van inkomsten, omdat zij het de staat mogelijk maakt met deze ontwaarde biljetten waren te kopen en salarissen uit te betalen. Een dergelijke uitgifte heeft hetzelfde effect als een verhoging van de indirecte belastingen: een algemene prijsstijging die de loontrekkenden en de kleine kooplieden veel harder treft dan de vermogende klassen, die immers een belangrijk gedeelte van hun inkomsten kunnen omzetten in ‘stabiele waarden’ (goud, buitenlandse deviezen, onroerende goederen, aandelen in de industrie, kunstvoorwerpen, enzovoort).

Deze vier vormen van staatsinkomsten betekenen dus niets anders dan dat de staat zich – direct, of indirect door de daling van het reële inkomen als gevolg van prijsstijgingen – de inkomsten toe-eigent die door de warenproductie geschapen of later door de inkomens- en warencirculatie herverdeeld zijn. Deze vier vormen van inkomsten moeten buiten beschouwing blijven wanneer het erom gaat de stijging (of daling) van de nieuw geschapen waarde te bepalen, dat wil zeggen van het netto maatschappelijk inkomen van een gemeenschap. Voor de berekening van dit inkomen kan men uitgaan van de bruto-inkomsten van de loontrekkenden en van de bruto meerwaarde; ook kan men uitgaan van de netto-inkomsten, waarbij alle directe belastingen opgeteld en de gevolgen van de geldinflatie afgetrokken worden door met stabiele prijsindexen te werken (13).

Wanneer de staat zich enkel en alleen de inkomsten toeëigent die voortkomen uit de productie – voor zover de staat zelf geen producent is – kan de manier waarop zij over deze inkomsten beschikt een beslissende terugslag hebben op de omvang van het netto maatschappelijk inkomen, dat wil zeggen op het niveau van de productie zelf. De uitgaven van de staat betreffen in feite de aankoop van waren, investeringsuitgaven, betalingen van salarissen of verschillende giften, evenals het betalen van rente over de staatsschuld. Wanneer het staatsbudget een aanzienlijk gedeelte van het maatschappelijk inkomen absorbeert, kan de verdeling van deze inkomsten over de verschillende bovengenoemde sectoren de ‘spontane’ verdeling in de vraag naar verschillende waren wijzigen en zo de handel in het algemeen beïnvloeden of zelfs de ontwikkeling van de industriële cyclus veranderen.[10]

De verdeling van de meerwaarde

Een officiële Japanse publicatie geeft voor het jaar 1951 de volgende verdeling aan van de ‘toegevoegde waarde’ (dat wil zeggen de nieuw geschapen waarde) in de Japanse industrie in haar geheel:

lonen en salarissen 706,8
interest en rente 111,8
belastingen317,2
dividenden40,3
niet uitgekeerde winsten150,9
–––––
1327,0(14)

Het percentage van de duidelijk zichtbare meerwaarde – afgezien van de meerwaarde die de niet in de productiesfeer werkzame kapitalisten zich toe-eigenen – bedraagt ongeveer 100 pct. In werkelijkheid behoort tot de categorie lonen en salarissen ook het inkomen van het hoger leidinggevend personeel (directeuren en staf) dat sociologisch gezien eerder deel uitmaakt van de burgerlijke klasse dan van de arbeidende klasse. Deze inkomsten moeten dus beschouwd worden als in mindering gebracht op de meerwaarde:

‘Hoewel een gedeelte van de salarissen en emolumenten van directeuren en staf (de leiding) door de econoom onder (de categorie) salarissen geplaatst zou moeten worden, is een ander gedeelte een bij overeenkomst vastgesteld bruto equivalent, of louter een deel van de winst in onze betekenis van het woord’ (15).

En Woytinsky (16) heeft terecht kritiek op de officiële statistieken die de volgende inkomsten plaatsen in de categorie ‘inkomsten uit arbeid’:

‘De tantièmes van de directeuren en de leden van de Raad van commissarissen van naamloze vennootschappen, de traktementen van de hogere staatsambtenaren en nog heel wat andere posten [...] De statistiek van het nationaal inkomen vertoont bijna altijd de tendens de inkomsten uit arbeid te overschatten, terwijl ze tegelijkertijd andere vormen van inkomsten onderschat.’

Om terug te komen op onze Japanse tabel: het totaal van de eigenlijke lonen zal dus lager zijn dan 700 miljard yen, en hoogst waarschijnlijk lager dan 663,5 miljard yen, dat wil zeggen lager dan de helft van de ‘toegevoegde waarde’ in de industrie. Laten we ons echter houden aan de hypothese dat de lonen gelijk zijn aan de helft van deze ‘toegevoegde waarde’ van 1327 miljard, dat wil zeggen 663,5 miljard yen. In dat geval bedraagt de duidelijk zichtbare meerwaarde ook 663,5 miljard yen en is op de volgende wijze verdeeld:

in miljarden
fabrieksdirecteuren, -staf, enzovoort43,3
banken, renteniers en grondbezitters111,8
aandeelhouders40,3
niet uitgekeerde winst (geaccumuleerd bedrijfskapitaal)150,9
staat (belastingen)317,2
–––––
663,5

In het geval van Japan (zoals in de meeste grote geïndustrialiseerde landen) eigent de staat zich een aanzienlijk gedeelte toe van de ‘toegevoegde waarde’ (van de in de industrie verschijnende meerwaarde). Toch is het zeer nuttig duidelijk te stellen dat het in grote mate om een herverdeling van de meerwaarde over de verschillende sectoren van de bourgeoisie gaat. Deze profiteert inderdaad van de staatsschuld, van staatsopdrachten en van salarissen van staatslieden en hoge staatsambtenaren, het leger, de kerk, de justitie, enzovoort.

De totale geproduceerde meerwaarde is overigens hoger dan het cijfer dat uit bovenstaande optelling resulteert. De Japanse statistici hebben inderdaad de ‘toegevoegde’ waarde, dat wil zeggen de door arbeidskrachten ‘nieuw geschapen’ waarde, berekend door binnen de poorten der fabrieken te blijven. Welnu, wij weten dat de handelswinsten, die niet in deze statistiek zijn opgenomen – evenals het gedeelte van die winsten dat weer door de handelaren moet worden afgestaan aan banken, grondeigenaren, de staat, enzovoort – eveneens een gedeelte van de totale door de arbeidersproducenten voortgebrachte meerwaarde uitmaken. Wanneer wij nu de verdeling van deze meerwaarde over de verschillende branches bekijken, kunnen we er de volgende inkomstencategorieën in terugvinden:
- winst van ondernemer en oprichter: deze komt naar voren, deels in de salarissen van directeuren en staf, deels in de dividenden (op de preferente aandelen, oprichtersaandelen, enzovoort), deels in de niet uitgekeerde winst waarover ondernemers beschikken wanneer ze deze niet aanwenden als inkomsten in de eigenlijke zin van het woord;
- handelswinst: deze komt naar voren in de inkomsten van grote en middelgrote kooplieden, de dividenden en niet-uitgekeerde winsten van handelmaatschappijen op aandelen; – renten (inkomen van personen, maatschappijen en instellingen die geldkapitaal voorschieten);
- winst van banken: deze komt deels naar voren als rente, deels als de niet uitgekeerde winst of dividenden van de banken;
- grondrente, inkomen van de grondbezitters (of maatschappijen in onroerende goederen) die eveneens op de totale maatschappelijke meerwaarde in mindering gebracht worden.

Voor zover er geen van de bourgeoisie gescheiden klasse van grondbezitters meer bestaat, althans in de voornaamste kapitalistische landen, kunnen al deze inkomsten beschouwd worden als inkomsten van de bourgeoisie; de verdeling ervan geeft slechts aanleiding tot een bepaalde vorm van (concurrentie)strijd tussen de verschillende sectoren van diezelfde klasse.

De uiteindelijke herkomst van alle in de kapitalistische maatschappij verdeelde inkomsten blijkt nog duidelijker in de volgende tabel van het nationaal inkomen in de Verenigde Staten in 1947 (17) (in miljoenen dollars):

Lonen en salarissen121.913
Sociale verzekeringsuitkeringen 5.588
Inkomsten van individuele ondernemers45.997
Renten4.293
Dividenden6.880
Niet uitgekeerde winst11.195
Vennootschapsbelasting11.709

De enige post in deze tabel die moeilijkheden oplevert, is de winst van individuele ondernemers. In deze post is het inkomen begrepen van boerenproducenten, handwerkslieden, enzovoort, dat niet in zijn geheel als meerwaarde beschouwd kan worden. Afgezien van deze restrictie echter wordt de totale meerwaarde bepaald door het totaal van alle posten, minus lonen en sociale verzekeringsuitkeringen.

De post van de eigenlijke ‘lonen’ – waarin overigens het inkomen is opgenomen van de loontrekkenden werkzaam in handel, bankwezen en vervoersbedrijven – is een vaak verbazingwekkend klein gedeelte van de post ‘lonen en salarissen’. Zo is in 1951 in Groot-Brittannië slechts 5 miljard, ofwel 60 pct. van de als ‘inkomsten uit arbeid’ aangegeven 8,4 miljard pond sterling, loon. De salarissen – in het Britse blauwboek gedefinieerd als het inkomen van het niet als handarbeider werkzame personeel, namelijk directeuren, leidinggevend personeel, ploegbazen, technici, kantoorpersoneel, onderzoekers, enzovoort – bedragen 2,5 miljard pond sterling. De bijdragen van de werkgevers in de sociale verzekeringen bedragen 500 miljoen pond sterling, de soldij van de strijdkrachten 300 miljoen pond sterling, enzovoort (18).

Maatschappelijk product en maatschappelijk inkomen

De waarde van alle door de maatschappij (door een land) in een bepaalde tijd (bijvoorbeeld één jaar) geproduceerde eindproducten is de waarde van het bruto maatschappelijk product (van het bruto nationaal product) (19).

De waarde van dit product bestaat uit een nieuw geschapen waarde en een in stand gehouden waarde. Wanneer de gedurende een jaar extra geproduceerde grondstoffen als eindproducten beschouwd worden, is de in stand gehouden waarde die deel uitmaakt van het bruto (nationaal) product dus de waarde van het verbruikte vaste kapitaal (machines, industriële installaties, industriële gebouwen, enzovoort) vermeerderd met de waarde van de grondstoffenvoorraad. De nieuw geschapen waarde, netto nationaal inkomen genaamd, is dan gelijk aan de waarde van alle geproduceerde waren verminderd met de waarde van het in stand gehouden constante kapitaal. Of anders gezegd: de waarde van het netto jaarproduct is gelijk aan de waarde van alle geproduceerde consumptiemiddelen plus de waarde van alle nieuwe productiemiddelen (20). Wij vinden hier het onderscheid terug tussen de waarde van het jaarproduct (c + v + m) en de jaarlijks geschapen nieuwe waarde (v + m). Deze nieuwe waarde kan gemakkelijker gevonden worden door eenvoudig de in alle ondernemingen geschapen nieuwe waarde (toegevoegde waarde) op te tellen.

Aangenomen dat alle in één jaar geproduceerde waren daadwerkelijk verkocht zijn, dan heeft de productie van deze waren de volgende inkomsten geschapen: v, totale loon van alle arbeiders; m, totale meerwaarde van de hele bourgeoisie (in de bovengenoemde samenstelling). Wanneer in prijzen gerekend wordt, moeten hierbij eveneens de indirecte belastingen geteld worden die aan de verkoopprijzen van de waren toegevoegd en door de staat toegeëigend worden (21), terwijl rekening moet worden gehouden met het feit dat onder de geproduceerde waren (en verdeelde inkomsten) ook de door de staat geproduceerde waren vallen. Het (nationaal) inkomen is dus gelijk aan het netto nationaal product in marktprijzen, verminderd met de indirecte belastingen, of beter nog: aan de totale waarde van alle eindproducten, verminderd met de in stand gehouden waarde van het constante kapitaal (waarbij de indirecte belastingen beschouwd worden als een willekeurige toevoeging aan de waarde).[11]

Ruggles (22) geeft de volgende tabel (in miljoen dollars) van het bruto nationaal product van de Verenigde Staten in 1947; deze tabel maakt het ons mogelijk gemakkelijk onze fundamentele categorieën terug te vinden:[12]

Verbruikt vast constant kapitaal{Afschrijvingskosten13.289|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
nationaal
inkomen in
factorprijzen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
netto nationaal
product in
marktprijzen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
bruto nationaal
product in
marktprijzen
Variabel kapitaal{Lonen en salarissen
Bijdragen aan de sociale verzekeringen
121.913

5.588
Meerwaarde[13]{ Inkomsten van individuele ondernemers
Netto renten
Dividenden
Winstbelasting
Niet uitgekeerde winst


45.997
4.293
6.889
11.709

11.195
Willekeurige toeslag op de prijzen der waren{Indirecte belastingen18.488

In de vergelijking tussen inkomsten en waarden van geproduceerde waren wordt het woord ‘inkomst’ echter in een heel speciale betekenis gebruikt. Het betekent alleen maar potentiële koopkracht. Laten wij deze inkomsten dan ook wat nader bestuderen.

De inkomsten van de arbeiders – de lonen – worden gewoonlijk snel uitgegeven, geruild tegen waren. De arbeidersklasse kan slechts in leven blijven door haar loon te realiseren in waren. De inkomsten van de kapitalisten daarentegen zijn in twee categorieën te verdelen:
- een onproductief geconsumeerd gedeelte, dat gewoonlijk ook in consumptiegoederen wordt omgezet om in het levensonderhoud van de burgerlijke klasse te voorzien;
- een gespaard gedeelte, dat wil zeggen; dit wordt niet in consumptiegoederen omgezet. Dit deel van de inkomsten der bourgeoisie zal zich op zijn beurt weer splitsen in een gedeelte dat geïnvesteerd wordt (dat dient voor de aankoop van extra productiemiddelen, met inbegrip van extra voorraden grondstoffen, goederen, waarden die inkomsten opbrengen, enzovoort) en een gedeelte dat gedurende een korte of langere periode in de vorm van geldkapitaal opgepot, bewaard wordt (23).

Welnu, willen alle gedurende een bepaalde tijd geproduceerde waren daadwerkelijk gekocht worden, dan is het noodzakelijk dat alle in de loop van diezelfde periode verdeelde inkomsten daadwerkelijk uitgegeven worden. Wanneer een gedeelte van de inkomsten der bourgeoisie – van de meerwaarde – opgepot wordt, zal een gedeelte van de geproduceerde waren niet direct kopers vinden. In de berekening van het nationaal product zoals die gewoonlijk plaatsvindt, zou de post ‘voorraden’ tijdelijk stijgen. Als dit proces zich echter zolang voortzet dat zich ten gevolge van de niet verkoopbaarheid van deze waren een crisis voordoet, zal de prijsdaling die het gevolg is van deze krach de absolute waarde van deze post en van het bruto nationaal product verminderen en deze terugbrengen op het niveau van de waarde van de grondstoffen, enzovoort, die daadwerkelijk in de productie vervangen zijn.

Dit alles is natuurlijk slechts een grove benadering. Bij het opstellen van een nauwkeurige formule zou rekening moeten worden gehouden met een groot aantal andere factoren. De verkoop van een waar produceert niet alleen inkomsten, zij brengt ook de tegenwaarde op van het verbruikte constante kapitaal (bedragen die aangewend worden om de voorraad grondstoffen te vernieuwen en het vaste kapitaal af te schrijven). Deze tegenwaarde nu kan tijdelijk gebruikt worden als extra koopkracht voor waren die in geen enkel verband staan met de vernieuwing van dit constante kapitaal. In dat geval kan de verkoop van alle in de loop van een bepaalde tijd geproduceerde waren de vermindering van het maatschappelijk kapitaal waarover een land beschikt, verdoezelen.

De grondstoffenvoorraden kunnen naar twee kanten schommelingen ondergaan. Als zij groeien, heeft men een gedeelte van hun tegenwaarde kunnen aanwenden voor de aankoop van andere waren, hetgeen nogmaals betekent dat, ondanks de oppotting van een gedeelte van de meerwaarde, alle gedurende deze periode geproduceerde waren daadwerkelijk verkocht zullen kunnen worden.

Ook moet rekening worden gehouden met de prijsbeweging. Als de prijzen in de tijdsspanne tussen productie en verkoop van de waren dalen, zullen de tijdens de productie verdeelde inkomsten alle geproduceerde waren kunnen kopen, zelfs wanneer een gedeelte van deze inkomsten opgepot is.

Ten slotte nog de invloed van de betrekkingen met het buitenland. Een netto export van kapitaal heeft in principe hetzelfde effect als de oppotting van een gedeelte van de meerwaarde; een netto import van kapitaal daarentegen schept een extra vraag naar de in het land geproduceerde waren. Evenzo vermindert de actieve handelsbalans in principe de hoeveelheid beschikbare waren in verhouding tot de door de productie van deze waren geschapen inkomsten. Een passieve handelsbalans daarentegen verhoogt het aantal in een land circulerende waren in verhouding tot de door de nationale productie geschapen inkomsten.

Ondanks al deze en nog vele andere restricties kan een betrekkelijk eenvoudig verband gelegd worden tussen het nationaal inkomen (verdeeld in de loop van één jaar) en de waarde van de in diezelfde periode geproduceerde waren; dat verband maakt het mogelijk de voornaamste bron van het cyclisch verloop van de kapitalistische productie, de voornaamste bron van de crises, vast te stellen: het tijdsverschil tussen warenproductie – en de verdeling van de inkomsten die zij met zich meebrengt – én de realisering van de waarde van deze waren door de eigenaars ervan. Het probleem van de realisering der meerwaarde is juist voor de kapitalistische warenbezitters kunnen ontstaan als gevolg van het niet automatisch samengaan van verdeelde koopkracht en geproduceerde waren.

Inkomstenverdeling en warenrealisering

Het verband tussen de in de loop van de productie verdeelde inkomsten enerzijds en de geproduceerde en als tegenwaarde van deze inkomsten op de markt aangeboden waren anderzijds is kwalitatief als volgt te bepalen:

‘Het merendeel van de waren en diensten wordt door twee klassen klanten gekocht: consumenten en zaken [...] De consumenten kopen waren om in hun fysieke en psychologische behoeften te voorzien. Zakenmensen kopen waren ten einde de winst van hun bedrijf te vergroten. Deze tweede categorie (waren) wordt terecht investeringsgoederen genoemd, de eerste consumptiegoederen’ (24).

Wij zullen van deze definitie vooral deze verdeling van de waren in twee grote categorieën aanhouden: consumptiegoederen, die ‘gekocht worden om de fysieke of psychologische behoeften te bevredigen’ en productiegoederen die gekocht worden om het de kapitalisten mogelijk te maken hun winsten te vergroten. De ‘businessmen’ zijn eveneens consumenten en als zodanig kopen ze consumptiegoederen om in hun eigen behoeften en in die van hun gezin te voorzien. Zij besteden hier het gedeelte van de meerwaarde aan dat niet geaccumuleerd is. De arbeiders daarentegen zijn slechts consumenten, zij zijn geen kopers van productiegoederen, aangezien hun loon in het algemeen ontoereikend is om in al hun ‘fysieke en psychologische’ behoeften te voorzien. Het totaal van de geproduceerde waren en de verdeelde inkomsten (koopkracht) beantwoordt dus aan het volgende schema:

AanbodVraag
Consumptiegoederen{Lonen
Niet-geaccumuleerde meerwaarde
Meerwaarde geaccumuleerd voor de tewerkstelling van een extra arbeidskracht
Productiegoederen}Geaccumuleerde meerwaarde
Afgeschreven constant kapitaal

De dynamiek van de kapitalistische productie is in wezen afhankelijk van het evenwicht (of verstoorde evenwicht) tussen deze verschillende categorieën.

De waarde van de op de markt aangeboden consumptiegoederen – geproduceerd in een bepaalde tijdsspanne, bijvoorbeeld één jaar – is zelf te splitsen in zijn samenstellende termen: c + v + m. Het door de productie (en de verkoop) van deze waren geschapen inkomen is duidelijk niet voldoende voor het scheppen van koopkracht, die nodig is voor de vorming van hun tegenwaarde.

Inderdaad vertegenwoordigen alleen het loon van de arbeiders die aan de productie van de tegenwaarde hebben deelgenomen, en het gedeelte van de winsten die niet in c (m – m geacc. in c) geaccumuleerd zijn, de koopkracht van consumptiegoederen. De in stand gehouden waarde die in de waarde van deze consumptiegoederen is inbegrepen en eveneens het gedeelte van de in constant kapitaal geaccumuleerde meerwaarde vertegenwoordigen de koopkracht voor productiegoederen (machines, grondstoffen, enzovoort). Als de gehele productie een jaar lang zou bestaan uit consumptiegoederen, zou er onvermijdelijk een verstoord evenwicht optreden: een aanbod van consumptiegoederen gelijk aan (c + v + m) tegen slechts een vraag gelijk aan v + (m – m geacc. in c). Het verschijnsel van overproductie zou zich voordoen – dat wil zeggen: een hoeveelheid goederen vindt op de markt geen tegenwaarde in koopkracht om de waarde ervan te realiseren en wordt dus niet of met verlies verkocht.

Maar naast consumptiegoederen worden er in de loop van ieder jaar ook productiegoederen geproduceerd. De productie van productiegoederen nu schept koopkracht voor consumptiegoederen. De arbeiders die in fabrieken werken waar machines vervaardigd worden, ontvangen loon waarmee ze geen machines, maar consumptiegoederen kopen. Ook de kapitalisten, eigenaars van deze fabrieken, besteden een gedeelte van hun meerwaarde aan de koop van consumptiegoederen. De totale door de productie van deze twee categorieën waren geschapen koopkracht moet dus bestudeerd worden om te kunnen vaststellen of er wel of niet overproductie van consumptiegoederen plaatsvindt.

Aan de andere kant hebben we reeds gezien dat de productie van consumptiegoederen op haar beurt koopkracht schept voor de productiegoederen die noodzakelijk zijn om het in de productie verbruikte constante kapitaal te vervangen en eventueel de aankoop van extra constant kapitaal met behulp van het geaccumuleerde gedeelte van de meerwaarde mogelijk te maken.

Wanneer we de waarde van de productiegoederen aangeven met Ic + Iv + Im en die van de consumptiegoederen met IIc + IIv + IIm, kunnen we op de volgende manier het gehele schema van vraag en aanbod van waren op de kapitalistische markt weergeven:

AanbodVraag
Consumptiegoederen
IIc + IIv + IIm
{Iv + I (m - m geacc. in c): vraag naar consumptiegoederen van arbeiders en kapitalisten uit de sector van de productiegoederen.

IIv + II (m - m geacc. in c): vraag naar consumptiegoederen van arbeiders en kapitalisten uit de sector van de consumptiegoederen.
Productiegoederen
Ic + Iv + Im
{Ic + Im geacc. in c: vraagt naar productiegoederen van kapitalisten werkzaam in deze sector.

IIc + IIm geacc. in c: vraag naar productiegoederen van kapitalisten werkzaam in de andere sector.

Wil dit systeem in evenwicht zijn, dan moeten deze twee vergelijkingen opgaan, dan moeten vraag en aanbod in deze twee categorieën waren in evenwicht zijn:

Ic + Iv + Im = Ic + Im geacc. in c + IIc + IIm geacc. in c.

IIc + IIv + IIm = Iv + I(m – m geacc. in c.) + IIv + II(m – m geacc. in c).

Wanneer we in deze beide vergelijkingen die termen die tegen elkaar wegvallen elimineren, krijgen we twee maal dezelfde vergelijking, die een algemene voorwaarde voor het evenwicht in de kapitalistische productie uitdrukt:

Iv + I(m) - m geacc. in c = IIc + IIm geacc. in c

Deze vergelijking voor het evenwicht op de kapitalistische markt is geen fictief gegeven. Iv + I(m – m geacc. in c), dat wil zeggen de uitbetaalde lonen en het niet in constant kapitaal geaccumuleerde gedeelte van de meerwaarde in de sector productiegoederen, is de totale door de productie van productiegoederen geschapen vraag naar consumptiegoederen. IIc + IIm geacc. in c, dat wil zeggen het te vervangen constante kapitaal en het te accumuleren constante kapitaal in de sector consumptiegoederen, is de totale door de productie van consumptiegoederen geschapen vraag naar productiegoederen. De vergelijking tussen deze twee grootheden, als vergelijking voor het evenwicht op de kapitalistische markt, houdt eenvoudig het volgende in: de kapitalistische economie is in evenwicht wanneer de productie van productiegoederen een vraag naar consumptiegoederen schept die gelijk is aan de vraag naar productiegoederen, geschapen door de productie van consumptiegoederen. Of anders gezegd: de kapitalistische markt is in evenwicht wanneer de wederzijdse vraag en aanbod van waren gelijk is tussen de twee soorten van de kapitalistische productie.

Productie en reproductie

De evenwichtsvergelijking legt statistisch gezien een verband tussen de waarde van de geproduceerde waren en de als tegenwaarde voor deze waren dienende koopkracht binnen een bepaalde en nauwkeurig afgebakende periode. Maar de kapitalistische productie is in werkelijkheid een in de tijd verlopend proces, waarin de ene productiecyclus volgt op de andere. De kwestie van de continuïteit van de kapitalistische productie werpt tegelijkertijd sociale en economische problemen op, die als reproductieproblemen aangeduid kunnen worden.

Wil de kapitalistische productie chronologisch continu zijn, dan moet zij in de allereerste plaats de fundamentele voorwaarden voor de kapitalistische productiewijze reproduceren: het monopolie van de productiemiddelen (kapitaal) in handen van een klasse van de maatschappij; het bestaan van de andere maatschappelijke klasse, die gedwongen is haar arbeidskracht te verkopen om het voor de aankoop van bestaansmiddelen noodzakelijke geld te verkrijgen. Het is dus vóór alles noodzakelijk dat de lonen ‘duidelijk vastgesteld en verdeeld (zijn) om het hen die ze ontvangen eenvoudig mogelijk te maken in hun levensonderhoud te voorzien, zodat deze laatsten in het bedrijf kunnen blijven werken van hen die ze betaalt en ze in leven houdt voor zijn persoonlijke exclusieve winst; maar deze lonen zijn er niet op gericht de arbeiders zó te verrijken dat ze zich langzamerhand van hun vroegere meesters kunnen losmaken, hen kunnen evenaren en ten slotte er in slagen met hen te concurreren’ (25).

Thomas van Aquino had het lot van de loontrekkenden al gekenschetst als het lot van mensen die geen enkel vermogen kunnen vergaren, maar ‘loontrekkenden worden omdat ze arm zijn, en omdat ze loontrekkenden zijn, arm blijven’ (26).

De statistieken aangaande het sparen tonen op afdoende wijze aan, dat in de kapitalistische landen de verpletterende meerderheid van de werkende bevolking in de loop van haar leven alles wat ze verdient uitgeeft, consumeert, en dus geen enkel kapitaal kan accumuleren. Sparen door deze bevolkingsgroep is in de letterlijke betekenis van het woord slechts een uitgestelde consumptie; wat zij ‘accumuleert’, zijn slechts duurzame consumptiegoederen (in het gunstigste geval: woningen).

Zo bezit in de periode 1946-1950 62,4 pct. van de Britse bevolking slechts 3 pct. (!) van het Britse kapitaal, hetgeen neerkomt op een ‘kapitaal’ van zo’n 44 pond sterling per persoon (27). In België bezit in dezelfde periode 27,5 pct. van de gezinnen slechts 2,2 pct. van het particulier vermogen (minder dan 50.000 BEF per gezin) en 48,8 pct. van de gezinnen bezit 20 pct. van dit vermogen (minder dan 250.000 BEF per gezin, hetgeen neerkomt op de waarde van een kleine arbeiderswoning). In de Verenigde Staten bezit in 1935-1936 90 pct. (1) van de huisgezinnen slechts 19 pct. van de spaargelden; in 1947-1948 bezit 90 pct. van de huisgezinnen slechts 22,5 pct. van de spaargelden. Benadrukt moet worden dat in diezelfde perioden 40 tot 50 pct. van de gezinnen helemaal geen spaargeld bezitten! (28).

Verder is het noodzakelijk dat de verkoop van waren de kapitalisten in staat stelt hun in de productie gestoken kapitaal opnieuw te vormen en de nieuwe productiemiddelen te kopen. De analyse van de kapitalistische productiewijze heeft ons geleerd dat zij aan deze twee voorwaarden voldoet.

Dat was niet het geval in de maatschappijen die aan het kapitalisme vooraf gingen. Herskovits vermeldt het volgende over de Tsjoektsjen, die in het noordoosten van Siberië leefden als rendierhoeders:

‘Sommige Tsjoektsjen-gezinnen zijn zo arm, dat ze bijna geen kudden bezitten en deze mensen treden voor lange tijd bij meer gefortuneerde gezinnen in dienst. In ruil voor hun zware werk krijgen ze wat vlees en huiden, maar zij moeten zelf hun lastdieren verzorgen als ze van het ene kamp naar het andere gaan. Jaarlijks, wanneer hun meester tevreden is over hun werk, ontvangt een gezin dat onder deze omstandigheden werkt naast de reeds genoemde goederen voor hun levensonderhoud een tiental jonge rendieren. Na vijf voorspoedige jaren heeft een dergelijk gezin dankzij deze dieren en hun jongen een kudde van een honderdtal rendieren kunnen vormen, die het dit gezin mogelijk maakt onafhankelijk te worden’ (29).

Zo werden, normaal gesproken, ook de gezellen in de middeleeuwen meester of konden op zijn minst de gerechtvaardigde hoop koesteren het te worden. De kapitalistische maatschappij daarentegen onderscheidt zich door het kenmerk voortdurend een proletarische klasse te reproduceren.

De continuïteit van de kapitalistische productie vereist bovendien een bepaalde kwalitatieve verdeling van de geproduceerde waren. Wil deze verdeling werkelijk tot stand komen, dan moet het in de productie verbruikte kapitaal via een reeks productiecyclussen op zijn minst weer in zijn oorspronkelijke staat hersteld zijn. Bijgevolg is het noodzakelijk dat op zijn minst de in de loop van de successievelijke productieprocessen verbruikte machines en grondstoffen gereproduceerd kunnen worden en dat ten minste voldoende consumptiegoederen geproduceerd worden om de arbeidskracht weer op het oorspronkelijke peil te brengen.

We weten dat iedere maatschappij in laatste instantie gebaseerd is op een economie van de arbeidstijd. Een bepaald gedeelte van de globaal beschikbare maatschappelijke arbeidstijd moet besteed worden aan de instandhouding, de reparatie en de reproductie van de arbeidsmiddelen, aan het onderhoud van de velden en de gebouwen; gebeurt dit niet, dan kan de productie na een bepaalde tijd niet meer op dezelfde schaal als vroeger hervat worden: de maatschappij zal in de absolute betekenis van het woord armer geworden zijn.

Wat in maatschappijen die gebruikswaarden produceren slechts een eenvoudig probleem van de verdeling van de globaal beschikbare maatschappelijke arbeidstijd is, wordt in de kapitalistische maatschappij ingewikkelder, aangezien zij een productiewijze van waren inhoudt. Wil de continuïteit van de kapitalistische productie verzekerd zijn, dan is het noodzakelijk dat in een reeks productiecyclussen:

1. de productiemiddelen die noodzakelijk zijn voor de vervanging van de in de loop van de productie verbruikte productiemiddelen, en de consumptiegoederen die noodzakelijk zijn om de arbeidskracht in stand te houden, materieel geproduceerd worden;

2. de koopkracht die in staat is de waarde van deze productie- en consumptiegoederen te realiseren, geschapen en daadwerkelijk benut wordt;

3. deze koopkracht zó verdeeld wordt dat vraag en aanbod in evenwicht zijn, zowel wat de productiegoederen als de consumptiegoederen betreft.

Het bestuderen van de economische problemen aangaande de reproductie in de kapitalistische maatschappij is in wezen het bestuderen van de vragen die opgeworpen worden door deze drie voorwaarden, zonder welke de continuïteit van de kapitalistische productie onderbroken wordt.

De eenvoudige reproductie

De eenvoudige reproductie doet zich voor als een opeenvolging van productiecycli die de instandhouding van de maatschappelijke rijkdom, maar niet de groei ervan mogelijk maakt. In een maatschappij die gebruikswaarden produceert, houdt de eenvoudige reproductie in dat de jaarlijkse hoeveelheid producten voldoende is om een vast aantal staatsburgers van voedsel te voorzien en de in de loop van dat jaar verbruikte arbeidsmiddelen te vervangen. In een maatschappij die waren produceert, houdt de eenvoudige reproductie in dat de waarde van het jaarproduct (bruto nationaal product) precies voldoende is om de gedurende dat jaar verbruikte arbeidskracht, arbeidsmiddelen en voorraad grondstoffen te reproduceren en in het levensonderhoud van de bezittende klassen te voorzien. In een kapitalistische maatschappij houdt de eenvoudige reproductie in, dat de jaarlijkse meerwaarde in zijn geheel onproductief door de burgerlijke klasse geconsumeerd wordt en dat er geen kapitaalaccumulatie plaatsvindt.[14]

De voorkapitalistische productiewijzen mogen dan lange fasen van eenvoudige reproductie hebben doorgemaakt, voor het merendeel hebben ze uiteindelijk op een gegeven ogenblik in hun ontwikkeling een stadium van reproductie op vergrote schaal bereikt, dat wil zeggen een bepaalde ontwikkeling van de arbeidsmiddelen, een bepaalde accumulatie van maatschappelijke rijkdom in de vorm van extra producten en vooral van extra voorraden gereedschap. De accumulatie van alleen al proviand betekent reeds een primitieve vorm van reproductie op vergrote schaal.

Wat de kapitalistische productiewijze betreft: deze onderscheidt zich juist van alle vroegere productiewijzen door het feit, dat het niet de onproductieve consumptie is, maar wel de productieve consumptie, de kapitalisering van het maatschappelijk meerproduct, die voor de bezittende klassen de drijfveer van hun handelingen en de reden tot uitbuiting is. In dat geval is de reproductie op vergrote schaal de normale reproductievorm in een kapitalistisch stelsel, terwijl de eenvoudige reproductie zich slechts op uitzonderlijke ogenblikken in de kapitalistische productiecyclus kan voordoen.

In welke vorm moeten de drie voorwaarden voor de continuïteit van de kapitalistische productie zich in het kader van een eenvoudige reproductie voordoen? Laten wij bijvoorbeeld veronderstellen dat de totale waarde van de jaarlijkse productie van alle waren 9000 (miljoen geldeenheden) is. Wil de continuïteit van de productie veiliggesteld zijn, dan moet het ene gedeelte van die waren productiegoederen zijn – machines, grondstoffen, industriegebouwen, hulpstoffen, energie, enzovoort – het andere gedeelte consumptiegoederen. Stel dat in waarde twee derde van de productie – ofwel 6000 – productiegoederen zijn en het resterende derde deel – ofwel 3000 – consumptiegoederen. De jaarlijkse maatschappelijke productie zal dan als volgt gedefinieerd kunnen worden, uitgaande van de veronderstelling dat meerwaardevoet en winstvoet in beide grote productiesectoren hetzelfde zijn:
I: 4000c + 1000v + 1000m = 6000 productiegoederen
II: 2000c + 500v + 500m = 3000 consumptiegoederen

In de loop van de productie is voor een totale waarde van 6000 (4000 in sector I en 2000 in sector II) aan productiegoederen verbruikt. Deze goederen kunnen vervangen worden, omdat tegelijkertijd voor een waarde van 6000 aan productiegoederen is geproduceerd. De maatschappelijke arbeidskracht heeft, om zich te herstellen, consumptiegoederen nodig voor een waarde van 1500. Dit is mogelijk, aangezien er voor 3000 aan consumptiegoederen is geproduceerd.

De verkoop van alle waren brengt de kapitalisten 9000 op. Van deze 9000 zijn er 6000 noodzakelijk om het constante kapitaal (productiegoederen) te herstellen en 1500 om het variabele kapitaal (geldkapitaal waarmee het volgende jaar arbeidskracht gekocht zal worden) te herstellen. De resterende 1500 zijn winst, de jaarlijkse meerwaarde. Aangezien de meerwaarde in het geval van een eenvoudige reproductie per definitie in zijn geheel onproductief geconsumeerd wordt, zullen deze 1500 aangewend worden om consumptiegoederen te kopen. Deze consumptiegoederen zullen daadwerkelijk beschikbaar zijn, omdat er voor 3000 geproduceerd is en 1500 voldoende zijn geweest om de in de loop van het jaar verbruikte arbeidskracht te reproduceren.

Vraag en aanbod zullen uiteindelijk in beide sectoren in evenwicht zijn, omdat:

Productiegoederen
Aanbod: 6000 totale productie.Vraag:{4000 kapitalisten I
2000 kapitalisten II

Consumptiegoederen
Aanbod: 3000 totale productieVraag:{1000 arbeiders I
500 arbeiders II
1000 kapitalisten I
500 kapitalisten II

De door de productie geschapen koopkracht is zó verdeeld, dat de koop van alle geproduceerde waren mogelijk wordt gemaakt. Deze waren zijn dus van de markt verdwenen en wij beginnen aan een nieuwe productiecyclus van één jaar met een constant kapitaal van 4000 in sector I en van 2000 in sector II; een geldkapitaal beschikbaar als variabel kapitaal, van 1000 in sector I en van 500 in sector II; een arbeidskracht van dezelfde grootte als aan het begin van de vorige cyclus, die zich dus volledig hersteld heeft. Anders gezegd: de nieuwe cyclus begint dus op hetzelfde productieniveau als de voorgaande cyclus. Een eenvoudige reproductie is gerealiseerd.

De reproductie op vergrote schaal

De reproductie op vergrote schaal doet zich voor als een opeenvolging van productiecycli, die vergroting van de maatschappelijke rijkdom mogelijk maakt. In een maatschappij die gebruikswaarden produceert, houdt de reproductie op vergrote schaal in dat de jaarlijkse hoeveelheid producten groter is dan die welke noodzakelijk is om in het levensonderhoud van alle burgers te voorzien en de voorraad arbeidsmiddelen in stand te houden. De maatschappelijke rijkdom neemt toe in de vorm van een gestegen voorraad arbeidsmiddelen, grotere voedselreserves, enzovoort. Een dergelijke reproductie op vergrote schaal is een noodzakelijke voorwaarde voor een min of meer constante groei van de bevolking.

In een maatschappij die waren produceert, houdt de reproductie op vergrote schaal in dat de waarde van het jaarproduct (bruto nationaal product) groter is dan de waarde van de in de loop van het jaar verbruikte arbeidskracht, arbeidsmiddelen en voorraden grondstoffen, vermeerderd met de voor het levensonderhoud van de bezittende klassen noodzakelijke waren.

In een kapitalistische maatschappij houdt de reproductie op vergrote schaal in dat de meerwaarde in twee gedeelten uiteenvalt: een gedeelte dat door de kapitalisten, hun gezin en hun aanhang onproductief geconsumeerd wordt, en een productief geconsumeerd gedeelte, dat wil zeggen een gedeelte dat geaccumuleerd, geïnvesteerd, gekapitaliseerd wordt in de vorm van extra machines, extra grondstoffen, en extra lonen, die het mogelijk maken een nieuwe productiecyclus te beginnen met een groter kapitaal – van een hogere waarde – dan in de voorgaande cyclus.

In welke vorm moeten de drie voorwaarden voor de continuïteit van de kapitalistische productie zich in het kader van een reproductie op vergrote schaal voordoen? In het geval van de eenvoudige reproductie moest de waarde van alle in de loop van een cyclus geproduceerde productiegoederen gelijk zijn aan de waarde van het in de loop van deze productiecyclus verbruikte constante kapitaal. In het geval van de reproductie op vergrote schaal is dit onmogelijk; anders zouden de productiegoederen die noodzakelijk zijn om de volgende cyclus met een groter constant kapitaal te beginnen, materieel ontbreken. Primaire voorwaarde voor een reproductie op vergrote schaal is dus de productie van extra productiegoederen naast de productiegoederen die in de loop van de voorafgaande productiecyclus verbruikt zijn (extra betekent niet een groter aantal, maar een hogere waarde). Het equivalent van deze extra productiegoederen is juist dat gedeelte van de meerwaarde dat voorbestemd is in extra constant kapitaal geaccumuleerd te worden.

Zo is ook de productie van extra consumptiegoederen naast die, welke in de loop van de voorafgaande cyclus door arbeiders en kapitalisten gekocht zijn, noodzakelijk, omdat deze consumptiegoederen de tegenwaarde moeten leveren voor het extra variabele kapitaal (lonen), dat een gedeelte is van de geaccumuleerde meerwaarde en dat bestemd is voor de aankoop van extra arbeidskracht.

Veronderstel: het totale bruto product van één jaar heeft een waarde van 11.400 (miljoen geldeenheden) die zich splitst in 7000 productiegoederen en 4400 consumptiegoederen. Wanneer we veronderstellen dat de meerwaardevoet in beide sectoren gelijk is, maar dat er een hogere winstvoet is in sector II waar de organische samenstelling van het kapitaal lager is, kan de waarde van het bruto product als volgt hypothetisch geanalyseerd worden:

Eerste cyclus
I: 4000c + 1500v + 1500m = 7000 productiegoederen}11.400
II: 2000c + 1200v + 1200m = 4400 consumptiegoederen

Laten we verder veronderstellen dat de kapitalisten uit sector I hun meerwaarde als volgt verdelen: 500 onproductief geconsumeerd; 1000 geaccumuleerd, waarvan 700 als constant kapitaal en 300 als variabel kapitaal. Wat de kapitalisten uit sector II betreft, zij verdelen hun meerwaarde bijvoorbeeld als volgt: 700 onproductief geconsumeerd; 500 geaccumuleerd, waarvan 300 als constant kapitaal en 200 als variabel kapitaal.

In de loop van een voorgaande productiecyclus was in beide sectoren samen 6000 verbruikt als constant kapitaal. De totale productie van productiegoederen is hoger dan deze 6000; ze ligt in de buurt van de 7000. De 1000 extra productiegoederen maken het de kapitalisten van sector I mogelijk voor 700 constant kapitaal te accumuleren en de kapitalisten van sector II voor 300. In diezelfde voorgaande cyclus was voor 3900 aan consumptiegoederen verbruikt (2700 door alle arbeiders uit beide sectoren; 500 door de kapitalisten van sector I en 700 door de kapitalisten van sector II). De productie van consumptiegoederen bereikt echter een waarde van 4400. Deze 500 extra consumptiegoederen zullen het de in de productie op vergrote schaal extra te werk gestelde arbeiders mogelijk maken de tegenwaarde van hun lonen, de in variabel kapitaal geaccumuleerde meerwaarde, te vinden, te weten 300 in sector I en 200 in sector II.

Zo zijn de voor de reproductie op vergrote schaal noodzakelijke waren en koopkracht door de voorafgaande cyclus geleverd. De continuïteit van de productie is gewaarborgd, omdat de verdeling van deze koopkracht het evenwicht van vraag en aanbod in beide sectoren mogelijk maakt:

Productiegoederen:
Aanbod:7000 : totale productie
Vraag: {4000 kapitalisten I: vervanging van c
2000 kapitalisten II: vervanging van c
700 kapitalisten I: accumulatie in c
300 kapitalisten II: accumulatie in c

Consumptiegoederen:
Aanbod:4400 : totale productie
Vraag: {1500 arbeiders I
1200 arbeiders II
500 kapitalisten I
700 kapitalisten II
300 tegenwaarde van de accumulatie in v door kapitalisten I
200 tegenwaarde van de accumulatie in v door kapitalisten II.

De nieuwe productiecyclus zal dus met de volgende kapitalen aanvangen:
I: (4000 + 700)c + (1500 + 300)v
II: (2000 + 300)c + (1200 + 200)v

Wanneer we nog altijd een stabiele meerwaardevoet van 100 pct. veronderstellen, zal de productie in deze tweede reproductiecyclus op vergrote schaal de volgende waarde hebben:

Tweede cyclus
I: 4700c + 1800v + 1800m = 8300 productiegoederen}13.400
II: 2300c + 1400v + 1400m = 5100 consumptiegoederen

Veronderstel: de meerwaarde van de kapitalisten I is op de volgende manier verdeeld: 600 onproductief geconsumeerd en 1200 geaccumuleerd, waarvan 800 als c en 400 als v; de meerwaarde van de kapitalisten II is op de volgende manier verdeeld: 700 onproductief geconsumeerd en 700 geaccumuleerd, waarvan 500 als c en 200 als v. Hieruit kunnen we, zoals boven aangegeven, een derde reproductiecyclus op vergrote schaal afleiden waarvan de productie de volgende waarde zal hebben:

Derde cyclus
I: 5500c + 2200v + 2200m = 9900 productiegoederen}15.900
II: 2800c + 1600v + 1600m = 6000 consumptiegoederen
enzovoort

Wij zien dat de reproductie op vergrote schaal tot uitdrukking komt in de stijging, van cyclus tot cyclus, van de totale waarde van de waren in iedere sector, evenals in de stijging van de meerwaarde in iedere sector. In de eenvoudige reproductie bleven deze waarden van cyclus tot cyclus stabiel.

Reproductie op vergrote schaal en ontwikkelingswetten van het kapitalisme

In de hierboven uitgewerkte schema’s van de reproductie op vergrote schaal was het mogelijk, dat iedere sector de totale door de arbeiders van deze sector geproduceerde meerwaarde realiseert. Dit is in tegenspraak met de reële ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze, waarin een nivellering van de winstvoet plaatsvindt, waardoor de sectoren met een grotere organische samenstelling van het kapitaal – sector I- zich een gedeelte van de door de arbeiders uit de andere sectoren geproduceerde meerwaarde toe-eigenen. Het schema is evenwel gemakkelijk te verbeteren door de gemiddelde winstvoet over het gehele kapitaal te berekenen en vervolgens de waarde van de waren I en II om te zetten in hun productieprijs.[15]

Zo zouden we de volgende reproductiecyclussen op vergrote schaal krijgen:

Eerste cyclus
I: 4000c + 1500v + 1705wi = 7205 productiegoederen}11.400
II: 2000c + 1200v + 995wi = 4195 consumptiegoederen

Tweede cyclus
I: 4905c + 1800v + 2060wi = 8765 productiegoederen}13.605
II: 2300c + 1400v + 1140wi = 4840 consumptiegoederen

Derde cyclus
I: 6005c + 2160v + 2450wi = 10.615 productiegoederen}16.285
II: 2760c + 1600v + 1310wi = 5670 consumptiegoederen
enzovoort

Tegelijkertijd constateren we in deze schema’s eveneens de tendentiële daling van de winstvoet: 31 pct. in de eerst cyclus, 30,75 pct. in de tweede cyclus en 30 pct. in de derde cyclus.[16]

Toch moeten wij er ons voor hoeden aan deze schema’s een betekenis toe te kennen die er niet in ligt. Door de cijfers in het schema waarvan uitgegaan wordt, of de uitgangsverhoudingen tussen de verschillende termen van het schema, willekeurig te kiezen, kan men er in slagen wetten te ‘ontdekken’ voor de kapitalistische reproductie, zoals de ‘noodzakelijke ineenstorting’ na een bepaald aantal cyclussen (de marxistische econoom Henryk Grossman doet dit bijvoorbeeld). Dat zou een volkomen ongegrond en zinloos spelletje zijn.

In werkelijkheid geven de reproductieschema’s niets anders aan dan de voorwaarden voor de continuïteit van de kapitalistische productie in zijn geheel, afgezien van de concrete voorwaarden voor het verloop van de kapitalistische productiewijze, zoals: ontstaan in een niet-kapitalistische omgeving; overdracht van kapitalen van de ene sector naar de andere; tussenkomst van het krediet; spel van de geldprijzen, enzovoort. Voor zover de kapitalistische productie een productie is voor de markt, een productie van waren, en niet een bewuste verdeling van de maatschappelijke middelen van bestaan over de verschillende productiesectoren, zijn deze concrete voorwaarden voor het functioneren van de kapitalistische productiewijze bepalend voor zowel de ontwikkelingswetten van het kapitaal – zonder de opzwepende concurrentie bijvoorbeeld zou de groei van de organische samenstelling van het kapitaal en de daaruit voortvloeiende tendentiële daling van de winstvoet onverklaarbaar zijn – als voor de cyclische vorm die het kapitalistische, economische leven aanneemt.

De reproductieschema’s die abstraheren van al die concrete voorwaarden kunnen noch moeten deze ontwikkelingswetten of de oorzaken van dit cyclische verloop ‘onthullen’; zij kunnen hoogstens aangeven hoe – ondanks het spel van duizenden individuele kapitalen die in een hevige concurrentieslag gewikkeld zijn en zo het reële verloop van de kapitalistische productiewijze bepalen – de continuïteit van de productie op den duur blijft bestaan ondanks veelvuldige tijdelijke onderbrekingen. Wij begrijpen het nut van deze schema’s, wanneer we ons de volgende vraag stellen: hoe is het mogelijk de continuïteit van de productie in stand te houden terwijl de waarde en de omvang van deze productie het resultaat lijken te zijn van individuele beslissingen van duizenden ondernemers die hun bedoelingen voor elkaar verborgen houden. De reproductieschema’s geven de voorwaarden aan, waaraan voldaan moet worden om deze continuïteit veilig te stellen.

In de realiteit van het kapitalisme komen deze continuïteitsvoorwaarden tot stand via onderbreking in de continuïteit. De kapitalistische economie blijkt in zijn economische activiteiten een eenheid van continuïteit en discontinuïteit te zijn:

‘De vooruitgang komt niet alleen met horten en stoten tot stand, maar ook door de voorsprong die één van de partijen heeft, hetgeen leidt tot breuken. De ontwikkeling is onevenwichtig, discontinu en onharmonisch. De geschiedenis van het kapitalisme is vol uitbarstingen en hevige rampen. De ontwikkeling ervan is een omverwerping van bestaande structuren, eerder in de vorm van een reeks explosies dan in de vorm van een vreedzame verandering’(32).

In die zin geven de schema’s als het ware het gemiddelde aan per decennium of per cyclus, de wederzijdse verhoudingen tussen de verschillende elementen van de kapitalistische productie. Zij houden juist in dat alle factoren die het cyclisch verloop van de productie bepalen, uit dit abstracte schema uitgesloten worden. Zij kunnen dus noch de kapitalistische expansie noch de oorzaak van het uitbreken van crises concreet verklaren.

Reproductie op vergrote schaal, economische groei en nationale economie

De analyse van de verschillende voorwaarden voor de reproductie op vergrote schaal is tegelijkertijd de analyse van de factoren die in laatste instantie de economische groei van de kapitalistische productiewijze bepalen.

In iedere willekeurige maatschappij zijn de twee voorwaarden die noodzakelijk en voldoende zijn voor de economische groei, de volgende:

1. het product per hoofd van de bevolking is groter dan het noodzakelijk product, dat wil zeggen de maatschappij produceert meer dan ze consumeert (ook in de vorm van slijtage van arbeidsmiddelen);

2. dit netto-overschot neemt, tenminste gedeeltelijk, de vorm aan van extra arbeidsmiddelen, dat wil zeggen het wordt productief geconsumeerd. Een grensgeval doet zich voor, wanneer dit netto-overschot ertoe dient een groter aantal producenten van voedsel te voorzien, en ook, wanneer het dankzij een betere voeding van de bestaande producenten een onmiddellijke verhoging van het rendement van deze producenten mogelijk maakt. In dat geval echter treedt er slechts tijdelijk een vertraging op in het noodzakelijk ontstaan van een netto product aan extra arbeidsmiddelen als een voor de economische groei noodzakelijke voorwaarde.

In de kapitalistische maatschappij blijken deze twee voorwaarden juist de voorwaarden voor de reproductie op vergrote schaal te zijn:
1. Er bestaat een meerwaarde die niet in haar geheel door de kapitalisten geconsumeerd wordt;
2. Het niet geconsumeerde overschot wordt gedeeltelijk in een nieuw constant kapitaal geïnvesteerd.

In het algemeen zijn er drie grootheden die fundamenteel zijn bij het bepalen van de mate waarin een kapitalistische maatschappij groeit:
a. De absolute omvang van de winsten (m) en de verhouding daarvan tot het bruto nationaal product;
b. De absolute omvang van de niet improductief geconsumeerde winst (m – gecons. m) en de verhouding daarvan tot het bruto nationaal product (en tot de totale meerwaarde);
c. De absolute omvang van deze geaccumuleerde winsten die in productiegoederen geïnvesteerd worden (m – gecons. m – m geacc. in v – opgepotte m) en de verhouding daarvan tot het bruto nationaal product en de totale meerwaarde.

Aangezien deze drie grootheden onderling met elkaar verbonden zijn, is het onmogelijk één van deze grootheden te isoleren om de oorzaak van de relatieve traagheid (of snelheid) van de economische groei te bepalen.

Zo kan een land een heel lage productieve investeringsvoet kennen, niet omdat de grootte (of de voet) van de winst of van de meerwaarde laag zijn, maar omdat een zeer groot gedeelte van deze meerwaarde improductief geconsumeerd wordt of in een andere vorm dan de productieve investering geaccumuleerd wordt (bijvoorbeeld: grondspeculatie, oppotting van edele metalen, uitvoer van kapitalen voor improductieve doeleinden, enzovoort). Dit geldt vooral voor een reeks onderontwikkelde landen.[17]

Ook zou het absoluut verkeerd zijn te veronderstellen, dat een aanzienlijke reële loonsverhoging die een daling van de winstvoet tot gevolg heeft, automatisch de economische groei vertraagt. Deze hypothese gaat alleen op, wanneer in de loop van de voorafgaande fase de meerwaarde bijna in haar geheel productief geïnvesteerd was. In iedere andere hypothese kan een dergelijke loonsverhoging daarentegen de economische groei stimuleren, doordat zij de bezittende klassen dwingt hun onproductieve consumptie en hun accumulatie buiten de productieve gebieden te beperken, ten einde de tijdelijke daling van de meerwaarde te neutraliseren door een verhoging van de relatieve meerwaarde (verhoging van de arbeidsproductiviteit).

De berekeningen van de nationale economie die gebaseerd zijn op de tweeslachtige- en zuiver beschrijvende – criteria van de inkomenstheorie, maken het niet mogelijk de potentiële bronnen van de accumulatie van het productieve kapitaal - of anders gezegd: van de totale meerwaarde, van het totale maatschappelijk meerproduct – te ontdekken. Zij maken geen onderscheid tussen de productieve consumptie van arbeidersgezinnen, de onproductieve consumptie van de bezittende klassen, de gemakkelijk te beperken consumptie van luxegoederen en de zuivere verspilling. Zo valt de bouw van volkswoningen, die in een dringende behoefte voorziet, onder dezelfde post als de bouw van luxueuze bank- en handelsgebouwen, die vaak vormen van belastingontduiking zijn en geen ‘productieve investeringen’ in welke vorm dan ook. Onder ‘staatsinvesteringen’ vallen willekeurig, productieve investering en de aankoop van militair materieel – een typisch onproductieve uitgave.

Het is dus hoognodig de berekening van de nationale economie te wijzigen en te baseren op de maatschappelijke structuur; daardoor zou het mogelijk worden de abstracte (of zuiver geldelijke) begrippen van sparen te vervangen door het begrip totale meerwaarde en beschikbaar potentieel accumulatiefonds.[18]

In het voorafgaande zijn we uitgegaan van de hypothese dat de bestaande bedrijven en arbeidskracht reeds volledig in gebruik zijn. Deze hypothese komt nauwelijks overeen met een permanent bestaande werkelijkheid. Vanaf dat moment kan de economische groei het resultaat zijn van niet alleen een extra productie van productiegoederen, maar ook van een beter (rationeler, ononderbroken, enzovoort) gebruik van de reeds bestaande productiegoederen. Niet zozeer de verhoging van de productieve investeringsvoet, als wel een beter gebruik van de bestaande productieve krachten (menselijke en mechanische) is in dit geval van belang. Het bestaan van een dergelijke mogelijkheid moge erg belangrijk zijn voor de vooruitzichten op korte termijn (vooral bij crises!), voor de vooruitzichten op lange termijn is het evenwel slechts een tussenfase. Zodra het optimale gebruik van de bestaande productiemiddelen bereikt is, is de economische groei opnieuw gelijk aan de uitbreiding van deze productiemiddelen.

Teruglopende reproductie

De teruglopende reproductie doet zich voor als een opeenvolging van productiecyclussen, die het niet meer mogelijk maakt de maatschappelijke rijkdom in stand te houden, maar die daarentegen leidt tot inkrimping van deze rijkdom. In een maatschappij die gebruikswaarden produceert, houdt de teruglopende reproductie in dat de jaarlijkse hoeveelheid producten niet voldoende is om alle staatsburgers van voedsel te voorzien of de bestaande hoeveelheid gereedschappen in stand te houden, of allebei. In een maatschappij die waren produceert, houdt de teruglopende reproductie in dat de waarde van het bruto jaarproduct lager is dan het totaal van: het loon van de arbeidende klassen, de waarde van de in de loop van de productie verbruikte arbeidsmiddelen en grondstoffen en de waarde van de waren die dienen voor het levensonderhoud van de heersende klassen. In de kapitalistische maatschappij houdt de teruglopende reproductie in dat de kapitalisten om verschillende redenen niet in staat zijn het verbruikte constante kapitaal te vernieuwen, en dat de uitbetaalde lonen de producenten niet in staat stellen hun arbeidskracht weer volledig te herstellen.

In voorkapitalistische samenlevingen kon de teruglopende reproductie het gevolg zijn van twee verschillende omstandigheden. In de eerste plaats van een plotselinge daling van de productie als gevolg van natuurrampen of maatschappelijke catastrofen: droogte, overstromingen, aardbevingen, invasies, epidemieën, oorlogen, burgeroorlogen, enzovoort.

Stel de behoeften van een agrarische gemeenschap globaal op 1000 ton graan per jaar, waarvan 750 ton voor de consumptie en 250 ton voor zaden en voor de ruil tegen andere producten van primair belang. Als de oogst gedurende verscheidene jaren terugloopt tot 500 ton en als er geen enkele hulp van buitenaf wordt ontvangen, zal er dus over de hele linie teruglopende reproductie voorkomen. Er is onvoldoende zaad; een gedeelte van de gronden blijft onbebouwd; een gedeelte van de bevolking sterft; het aantal producenten (arbeidskracht) loopt terug. Zelfs in een goed oogstjaar zal er minder graan geproduceerd worden dan vroeger, aangezien er minder producenten werken op een kleinere met koren bezaaide oppervlakte.

De teruglopende reproductie kon ook het gevolg zijn van een wijziging in de verdeling van de beschikbare maatschappelijke middelen van bestaan. Wil de productie de continuïteit van het economische leven op een bepaald niveau waarborgen, dan moet zij inderdaad zodanige gebruikswaarden produceren dat deze de materiële elementen van de productie weer kunnen herstellen: arbeidskracht en arbeidsmiddelen. Deze elementen kunnen evenwel aangewend worden voor doeleinden die, gezien vanuit de reproductie, nutteloos zijn, dat wil zeggen: voor de productie van goederen die noch de in de gegeven productieperiode verbruikte arbeidskracht, noch de verbruikte arbeidsmiddelen herstellen. In dat geval zal er onvermijdelijk teruglopende reproductie optreden aangezien een gedeelte van de verbruikte productieve middelen niet hersteld is en er dus in het vervolg met beperktere middelen gewerkt zal worden.

Zo constateert de historicus Eberhard, dat onder de Mongoolse keizers in China een groot aantal arme herendienstplichtige boeren bij elkaar gebracht werd om keizerlijke gebouwen van grote luxe te laten verrijzen (33). Deze boeren waren gedwongen om gedurende de tijd dat ze dit werk uitvoerden, hun grond te verlaten; deze grond bleef dus braak liggen. Op deze manier begon een reeks cyclussen van teruglopende reproductie, aangezien de verdeling van de globaal voor de maatschappij beschikbare arbeidskracht zó was, dat de productie in de basissector, de landbouw, beperkt moest worden.

In de kapitalistische productiewijze treffen we de twee overeenkomstige vormen van teruglopende reproductie aan. In de eerste plaats de teruglopende reproductie die veroorzaakt wordt door een plotselinge daling van de productie, door een economische crisis. In tegenstelling tot een voorkapitalistische samenleving veroorzaakt niet de daling van de omvang van de productie, maar van de waarde van de productie de onderbreking van de continuïteit, de economische crisis. Het cumulatieve effect echter van de achteruitgang in het economisch leven blijft niettemin karakteristiek voor de kapitalistische economische crisis. Een daling van de waarde van de productie leidt tot sluiting van fabrieken en ontslag van arbeiders. Dit leidt tot een scherpe daling van de globale koopkracht, hetgeen weer de gedruktheid van de handel, de prijsdalingen en bedrijfssluitingen verscherpt. Van maand tot maand – en tijdens langdurige crises van jaar tot jaar -wordt er minder geproduceerd met minder kapitaal en minder arbeidskrachten; de productiebasis wordt smaller.

Zo kan in een kapitalistisch stelsel teruglopende reproductie ook optreden als gevolg van een wijziging in de verdeling van de beschikbare productieve middelen. Als een gedeelte van het constant kapitaal en van de arbeidskracht aangewend wordt om waren te produceren, waarvan de gebruikswaarde noch het constante kapitaal, noch de arbeidskracht op het oorspronkelijke peil kan brengen, zal er na verloop van een bepaalde tijd teruglopende reproductie optreden, dat wil zeggen productie met een kleiner constant kapitaal en minder arbeidskracht.

De oorlogseconomie

De oorlogseconomie is het typische voorbeeld van teruglopende reproductie in een kapitalistisch stelsel. Oorlogseconomie houdt inderdaad in, dat een gedeelte van de productieve middelen van het constante kapitaal en van de arbeidskracht bestemd wordt voor de fabricage van vernietigingsmiddelen, waarvan de gebruikswaarde noch de vervanging van machines of voorraden grondstoffen, noch het herstel van de arbeidskracht tot stand kan brengen, maar daarentegen de vernietiging van deze middelen beoogt. Hieruit volgt dat de oorlogseconomie een punt kan bereiken waarop ofwel het in stand houden (afschrijvingen in het financiële vlak en vervanging in het materiële vlak) van het constante kapitaal niet meer gewaarborgd is,[19] ofwel de arbeidskracht zich niet meer herstelt, omdat de consumptie door de arbeiders te laag wordt en de arbeidsproductiviteit daalt; hier kan trouwens nog een absolute daling van het aantal arbeiders bijkomen.

Zo is het Britse nationale inkomen tijdens de laatste oorlog, in vergelijking met het inkomen in vredestijd, op de volgende manier samengesteld (in miljoen pond sterling):

19381943
(omgerekend in het
pond uit 1938)
Overheidsuitgaven8373840
Uitgaven voor particuliere consumptie41383270
Particuliere binnenlandse investeringen30595
Buitenlandse investeringen55485
Nationaal inkomen52256530(35)

Wij zien dat de oorlogseconomie gepaard kan gaan met een stijging van het reële nationale inkomen en van de waarde van het bruto nationaal product zoals dat heden ten dage berekend wordt.

‘Een toename van een categorie producten moet gepaard gaan met ofwel een inkrimping van andere categorieën producten, ofwel een toename van de totale productie. Als men de door de regering in oorlogstijd gekochte goederen en diensten beschouwt als eindproducten, zoals dat gebeurt bij de gebruikelijke schattingen, zou men moeten verwachten dat in oorlogstijd de berekeningen een stijging van de totale productie aangeven, maar tevens een inkrimping van de civiele productie’ (36).

De productie van tanks, vliegtuigen en granaten die verkocht worden door kapitalisten die werkzaam zijn in de sector van de vernietigingsmiddelen, is een productie van waren waarvan de waarde op de markt gerealiseerd wordt. Aangezien deze producten echter niet in het reproductieproces treden, gaat deze groei van het nationaal inkomen gepaard met een absolute vermindering van de bestaande voorraad constant kapitaal en een zeer sterke daling van de arbeidsproductiviteit.

Het Britse voorbeeld was overigens in de laatste oorlog nog betrekkelijk gunstig. In Japan was in diezelfde wereldoorlog de textielindustrie gedwongen twee derde van de katoenweefklossen in schroot te veranderen (37). Het vaste kapitaal van sector II werd vlottend kapitaal van sector I. In Duitsland en elders daalde de gemiddelde arbeidsproductiviteit zo ver, dat het opnieuw mogelijk werd op grote schaal dwangarbeid in te voeren.

Schematisch kan deze teruglopende reproductie aangegeven worden door in een reproductieschema een derde sector in te voegen: de vernietigingsmiddelen:

Eerste cyclus
I: 4000c + I500v + 1500m = 7000 productiegoederen}11.400
II: 2000c + 1200v + 1200m = 4400 consumptiegoederen

Tweede cyclus
I: 4000c + 1500v + 1500m = 7000 productiegoederen}13.400
II: 2000c + 1200v + 1200m = 4400 consumptiegoederen
III: 1000c + 500v + 500m = 2000 vernietigingsmiddelen

Derde cyclus
I: 3900c + 1200v + 1200m = 6200 productiegoederen}12.100
II: 1800c + 900v + 800m = 3500 consumptiegoederen
III: 1300c + 600v + 500m = 2400 vernietigingsmiddelen
enzovoort.

Dit schema is gebaseerd op de hypothese dat na de eerste cyclus de kapitalisten van categorie I en II al hun geaccumuleerde meerwaarde investeren in de bewapeningsindustrie. Hieruit volgt dat de productie in deze twee sectoren in de tweede cyclus niet vergroot wordt. Natuurlijk zouden er verschillende tussencyclussen ingevoegd kunnen worden, tijdens welke een afnemend gedeelte van de geaccumuleerde meerwaarde nog geïnvesteerd zou worden in de sectoren I en II.

De 7000 productiegoederen die in de loop van de tweede cyclus geproduceerd worden, moeten tijdens de derde cyclus verdeeld worden over de categorieën I, II en III, hetgeen leidt tot een vermindering van de voor de sectoren I en II beschikbare productiegoederen: in deze laatste twee sectoren begint de teruglopende reproductie zich dus te manifesteren. Een gedeelte van de meerwaarde van de kapitalisten I en II kan niet meer in deze sectoren geïnvesteerd worden bij gebrek aan tegenwaarde op de markt; dit gedeelte wordt in financieringsmiddelen voor de derde sector omgezet of opgepot (gedwongen sparen, bedrijfsreserves, enzovoort). De waarde van de consumptiegoederen die de arbeiders ter beschikking staan, vermindert eveneens, hetgeen leidt tot een daling van het rendement en van de meerwaardevoet.[20]

De teruglopende reproductie van consumptiegoederen en bepaalde productiegoederen die in een oorlogseconomie onder invloed van de productie van vernietigingsmiddelen plaatsvindt, komt heel duidelijk tot uitdrukking in de volgende tabel (39):

Het procentuele aandeel van de waarde van de productie van verschillende industrietakken in de waarde van het totale industriële product in Duitsland
193619391944
Grondstoffen:34,431,4 33,5
waarvan steenkool- en andere mijnen7,57,46,3
Productiegoederen en bouwmateriaal:29,534,941,4
waarvan metaalindustrie, inclusief
de productie van vernietigingsmiddelen
15,321,825,5
Consumptiegoederen:30,527,619,0
waarvan textiel7,55,03,7
levensmiddelen11,411,97,0

De herverdeling van het nationaal inkomen door tussenkomst van de staat

De opkomst van de arbeidersbeweging en de toenemende vijandige houding van het volk jegens de ongelijke verdeling van de inkomsten – kenmerkend voor het moderne kapitalisme – hebben bij de bezittende klassen reacties van zelfverdediging opgeroepen. Sinds de invoering van de inkomstenbelasting in Groot-Brittannië en vooral sinds de ervaring met de New Deal in de Verenigde Staten, leggen talrijke economen de nadruk op het feit, dat de staat door middel van haar budget – vooral in de westerse landen met een burgerlijke democratie – een aanzienlijk gedeelte van het nationaal inkomen herverdeelt en wel zó, dat dit ten koste gaat van de bezittende klasse en ten gunste komt van de arbeidersklasse.

De progressieve inkomstenbelasting en de successierechten, zo zeggen ze, verminderen de ongelijke verdeling van de inkomens en vermogens. De diensten die de staat gratis ter beschikking stelt aan alle burgers – verplicht onderwijs, onderhoud van de wegen, openbare gezondheidszorg en in Groot-Brittannië gratis medische verzorging, enzovoort – komen vooral de armste klassen van de bevolking ten goede en beogen een nog grotere nivellering van de inkomsten der burgers. De ontwikkeling van het huidige kapitalisme zou dus geenszins tot concentratie leiden, maar daarentegen juist tot spreiding, tot een stijgende nivellering van de inkomsten.

Inzake vermogen en bezit, vooral met name industrieel bezit en gekapitaliseerd bezit van spaargelden, betekenen deze uitspraken een grove onwaarheid: alle gegevens waarover we beschikken, wijzen inderdaad duidelijk op een toenemende concentratie van dit bezit.[21] Aangaande de inkomsten echter wordt in het algemeen toegegeven, dat het handelen van de overheid er daadwerkelijk toe gediend heeft de ongelijke verdeling van de inkomsten te verminderen. Is dat zo, en zo ja, hoe moet dit verschijnsel in de huidige ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze geplaatst worden?

Zoals we reeds duidelijk hebben aangetoond, ontstaan de inkomsten van de staat in het algemeen uit twee verschillende bronnen: uit directe inkomstenbelasting en uit indirecte belastingen, stijging van de verkoopprijs van de waren (de uitgifte van papiergeld door de staat heeft dezelfde uitwerking als de indirecte belasting). Welnu, de progressieve inkomstenbelasting moge de welgestelde klassen harder treffen dan de arme klassen van de bevolking, met de indirecte belasting is dit geenszins het geval.

‘In het algemeen treft de belasting op consumptiegoederen de lagere inkomensklassen harder dan de hogere klassen en dientengevolge zal zij in zekere mate opwegen tegen het nivellerend effect van de inkomstenbelasting’ (40).

Wij stellen inderdaad vast dat in Frankrijk in 1949 de loontrekkenden 450,5 miljard frank aan indirecte belastingen betaalden tegen 271,5 miljard frank betaald door de ondernemers en de vrije beroepen. In Groot-Brittannië steeg het bedrag van allerlei belastingen, betaald door de armste klasse van belastingplichtigen (die minder dan 500 pond per jaar verdienen) van 499 miljoen pond in 1937 tot 1791 miljoen pond in 1949, omdat de indirecte belastingen in diezelfde periode vervijfvoudigd waren. In Denemarken verlagen de indirecte belastingen de inkomsten van de arme klasse van belastingplichtigen met 11,2 pct., terwijl de invloed daarvan op de middenklassen 9,1 pct. is (41).

In de Verenigde Staten komt ontegenzeggelijk slechts een onaanzienlijk deel van de budgettaire inkomsten voort uit indirecte belastingen. In dat land echter moet rekening gehouden worden met de invloed van de directe belasting op lonen en salarissen – een factor die overigens in andere kapitalistische landen een steeds grotere rol speelt. In Frankrijk betalen de loontrekkenden in feite meer directe belastingen dan de ondernemers en de vrije beroepen! In België betalen in 1959 de loontrekkenden die ternauwernood 50 pct. van het nationale inkomen ontvangen, 57,5 pct. van de inkomstenbelasting (42).[22]

Als men de globale balans opmaakt van de door de arbeiders betaalde belastingen en de door de sociale verzekeringen gemaakte winsten, enzovoort, komt men gewoonlijk tot de conclusie dat de herverdeling van de inkomsten ten gunste van deze arbeiders miniem of zelfs nihil is. Zo stellen Rottier en Albert voor Frankrijk het volgende vast:

‘Het is ons niet mogelijk nauwkeurige resultaten te verkrijgen ten aanzien van de verticale herverdeling van de inkomsten in de groep niet agrarische loontrekkenden. Evenwel, zij is ongetwijfeld niet erg groot [...] De relatieve stijging van het aandeel van het maatschappelijke loon is niet gepaard gegaan met een stijging van het totale aandeel van de lonen in het nationale inkomen. Er heeft zich dus een scherpe vermindering voorgedaan van dat deel van het totale inkomen van de loontrekkenden dat zij naar eigen goeddunken kunnen besteden’ (43).

En F. Weaver komt wat Groot-Brittannië betreft tot gelijkluidende conclusies:

‘Het opvallende van de na de oorlog toenemende herverdeling is niet het feit, dat ze de welgestelde klassen iets ontneemt om dit aan de grote massa te geven. Het voornaamste kenmerk is dat de voordelen van de herverdeling gelden voor alle belastingplichtige klassen en nauw in verband staan met de consumptie(gewoonten). In het algemeen betaalt de arbeidersklasse een surplus aan belasting op bier, tabakswaren en andere waren, alsook aan indirecte belastingen waaruit de kosten van subsidies op levensmiddelen en uitgaven voor openbare gezondheidszorg en onderwijs betaald kunnen worden, terwijl de verhoging van de directe belastingen die deze klasse betaalt, de stijging dekt van de aan haar overgedragen inkomsten’ (44). (Cursivering door ons).

Hier zou tegenin gebracht kunnen worden dat deze zuiver geldelijke calculatie geen rekening houdt met kosteloze materiële voordelen, zoals de algemene verbetering van de gezondheidstoestand en het onderwijs, de langere levensduur die daarvan het gevolg is, een zekere wijziging in het consumptiepatroon, een stijging van de uitgaven door de arbeiders voor cultuur en vrijetijdsbesteding in de industrieel geavanceerde landen, enzovoort. Deze opmerking is terecht.

Maar, zoals de Deense economen Lemberg, Ussing en Zeuthen opmerken, de ‘diensten’ die in deze door de staat aan de arbeiders verleend worden, zijn niet zozeer te verklaren door het verlangen om de inkomens te herverdelen, als wel om ‘degenen die van deze diensten profiteren zo volledig mogelijk voor productieve arbeid te kwalificeren’ (45). Zo houdt de verlenging van de gemiddelde levensduur tevens de verlenging van de productieve levensduur van de arbeiders in; in plaats van vijfentwintig jaar lang meerwaarde voor de kapitalisten te produceren, produceert een arbeider deze nu veertig of vijfenveertig jaar lang. Voor zover de prijs van de arbeidskracht een relatief [23] element bevat – te weten de gemiddelde behoeften bepaald door het gemiddelde beschavingsniveau van een land in een bepaalde tijd – neemt de staat, door de loontrekkenden bepaalde diensten te verlenen die ze niet met hun loon behoeven te betalen, in feite in naam van de gehele bourgeoisie de betaling van een wezenlijk deel van de lonen op zich. De staat zet geen meerwaarde om in lonen; zij speelt slechts de rol van centrale kassier van de bourgeoisie om een gedeelte van de lonen in collectieve vorm uit te keren, om bepaalde behoeften te socialiseren.

Er bestaan situaties waarin de herverdeling van het nationale inkomen op grotere schaal ten goede komt aan de arbeidersklasse. Tegenstrijdig genoeg valt dit niet onder ‘sociaal kapitalisme’; veeleer onder grote boetedoeningen.

Wanneer een kapitalistisch land getroffen wordt door een grote ramp: een ernstige economische crisis of een verloren oorlog, komt de herverdeling van het nationale inkomen daadwerkelijk ten goede aan die bevolkingslagen die in de meest ellendige omstandigheden verkeren – werklozen in het eerste, oorlogsslachtoffers in het tweede geval. Het is noodzakelijk deze lagen van de bevolking tot het proletariaat te rekenen; zij vormen juist de ‘lazaruslaag’ van het proletariaat waarover Karl Marx spreekt.

In West-Duitsland ontvangt deze ‘Lazaruslaag’ ongeveer 10 pct. van het nationale inkomen – als gevolg van de herverdeling; in dat land bestaan immers miljoenen oorlogsinvaliden, zware oorlogsgewonden, slachtoffers van fascistische en racistische repressies, oorlogsveteranen en mensen die ziek zijn als gevolg van de tijdens de oorlog geleden ontberingen. Toch moet worden toegegeven dat de arbeiders niet veel voldoening zullen scheppen in de vaststelling dat ze slechts van de herverdeling van het nationale inkomen ‘profiteren’ in de mate waarin ze werkloos of oorlogsinvalide worden.[24]

Het is overduidelijk dat het hier een maatregel met een politieke en sociale strekking geldt, een oliën van het sociale mechanisme hetgeen ontploffing ervan moet voorkomen, en niet een economische ontwikkeling die de relatieve verpaupering van het proletariaat hoe dan ook bestrijdt.

In een in 1953 verschenen werk heeft Simon Kuznets (46) de gevolgen van de herverdeling van het nationale inkomen in de Verenigde Staten proberen te berekenen. Hij kwam tot de conclusie dat het netto aandeel (na betaling van de directe belastingen) van de rijken – de 1 pct. rijkste belastingplichtigen – in het nationale inkomen opvallend van gemiddeld 14,3 pct. in de periode 1919-1938 tot 7,9 pct. in 1948 gedaald was. Deze studie lijdt echter aan ernstige methodologische fouten. In de allereerste plaats is ze uitsluitend gebaseerd op de aangiften van belastingplichtigen, die in het geval van zelfstandigen en vooral van rijken duidelijk te laag geschat zijn met het doel de belasting te ontduiken.[25]

Deze studie houdt wel rekening met de directe belastingen, maar niet met de stijging van de kosten van levensonderhoud die de kleine man sterk benadeelt. Zij werkt met willekeurige categorieën (‘de 1 pct. rijkste belastingplichtigen’, ‘de 7 pct. rijkste belastingplichtigen’, enzovoort) en niet met concrete maatschappelijke categorieën.

Bestudeert men de officiële statistieken opnieuw, zonder zelfs rekening te houden met de niet aangegeven inkomsten, dan stelt men toch vast dat het aandeel van de kleine man nauwelijks gestegen is, zoals uit de volgende cijfers blijkt:
In 1910:
50 pct. van de huishoudens ontvangt 26,8 pct. van het persoonlijk gezinsinkomen;
In 1918:
50 pct. van de huishoudens ontvangt 26,6 pct. van het persoonlijk gezinsinkomen;
In 1929:
50 pct. van de huishoudens ontvangt 22 pct. van het persoonlijk gezinsinkomen;
In 1937:
50 pct. van de huishoudens ontvangt 21,2 pct. van het persoonlijk gezinsinkomen;
In 1944:
51,9 pct. van de huishoudens ontvang 24,9 pct. van het persoonlijk gezinsinkomen;
In 1956:
51,7 pct. van de huishoudens ontvangt 25,2 pct. van het persoonlijk gezinsinkomen.

Deze cijfers zijn moeilijk te interpreteren als een historische verbetering van het aandeel van de kleine man, vooral wanneer men vaststelt dat de 51,7 pct. voor 1956 aangehaalde gezinnen minder dan 5000 dollar per jaar verdiende; dat de 51,9 pct. voor 1944 aangehaalde gezinnen minder dan 3000 dollar per jaar verdiende; en dat tussen 1944 en 1956 de koopkracht van de dollar met 40 pct. teruggelopen is, zodat 5000 dollar in 1956 precies evenveel waard zijn als 3000 dollar in 1944 (48).

Volgens Kuznets ontving in 1929 7 pct. van de belastingplichtigen met de grootste inkomsten, 30,3 pct. van het persoonlijke inkomen; de 10 pct. hoogst aangeslagen belastingplichtigen ontving 31 pct. van het persoonlijk inkomen. De ‘herverdeling’ betekende dus alleen maar een uitbreiding van de hogere middenklassen, een kenmerkend verschijnsel voor iedere periode van hoogconjunctuur (dat in deze cijfers nog ‘geflatteerd’ wordt door de belastingontduiking). Deze indruk wordt nog versterkt wanneer men vaststelt dat de 3,8 pct. gezinnen die meer dan 15.000 dollar per jaar ontvangt, in 1956 in totaal 17,3 pct. van het gezinsinkomen verdient; in 1929 werd hetzelfde percentage verdiend door ongeveer 2 pct. van de gezinnen.[26] Het aandeel van de ‘rijken’ is dus nauwelijks veranderd: hun aantal is alleen groter geworden.[27]

Maar als we weten dat 40 pct. van de belastingplichtigen samen minder verdient dan deze 3,8 pct. van de bevolking (hun aandeel is gedaald met 20 pct. in 1910 tot ongeveer 13 pct. in 1950!), is het onmogelijk in deze cijfers welke aanwijzing dan ook te ontdekken van een ommekeer in de aloude tendens tot kapitaal- en inkomensconcentratie in de kapitalistische productiewijze (51).

Voor Groot-Brittannië komt Richard M. Titmuss tot grotendeels gelijkluidende conclusies. Het blijkt inderdaad zo te zijn dat in 1938 de 14 miljoen armste mensen van de beroepsbevolking (58,3 pct. van het totaal) 31,6 pct. van het bruto persoonlijk inkomen van de Britten ontvingen, terwijl in 1955 de 16 miljoen armste mensen van de beroepsbevolking (61,6 pct. van het totaal) 34,8 pct. van het bruto persoonlijk inkomen van de Britten ontvingen; het is moeilijk hier enige vooruitgang in te ontwaren. Ook Titmuss legt de nadruk op de talrijke niet in de inkomstenaangiften opgenomen voordelen, die de reële inkomsten van de meest welgestelde lagen uit de bourgeoisie aanzienlijk verhogen en de ogenschijnlijke ‘teruggang’ in hun aandeel in het nationaal inkomen verklaren (vermogensaanwas, onkostenrekeningen, door de maatschappijen verleende voordelen in natura, enzovoort).

_______________
[1] ‘Aan de grondstof worden, zo veronderstelt men, extrakosten toegevoegd [...] door de machine; de machine staat als het ware een gedeelte van haar waarde af die opgenomen wordt in het eindproduct’ (1). Maar de machine kan slechts een gedeelte van haar waarde ‘afstaan’, op voorwaarde dat ze door levende arbeidskracht gebruikt, op gang gebracht wordt. Zonder deze arbeidskracht vermindert ze zonder meer in waarde.
[2] Zie hoofdstuk 6, par. ‘Handelskapitaal en handelswinst’, en par. ‘Handelskapitaal en in de distributie tewerkgestelde arbeidskrachten’.
[3] Wanneer boeren en ambachtslieden door hun warenproductie concurreren met de kapitalistische sector, kunnen zich drie gevallen voordoen. Ofwel hun arbeidsproductiviteit is gelijk aan de gemiddelde productiviteit en in dat geval worden hun producten precies tegen hun waarde verkocht; ofwel hun productiviteit is lager dan de gemiddelde productiviteit (dit is gewoonlijk het geval) en in dat geval vindt er een overdracht plaats van een gedeelte van de door hen gevormde waarde naar bepaalde kapitalistische sectoren; ofwel hun productiviteit is hoger (dit is een uitzonderingsgeval!) dan de gemiddelde productiviteit (of, wat op hetzelfde neerkomt, de totale productie van een bepaald ambacht is niet voldoende om in de koopkrachtige behoeften te voorzien) en in dat geval eigenen deze kleine warenproducenten zich een klein gedeelte van de in de kapitalistische sector van de economie geproduceerde meerwaarde toe. Dit laatste geval doet zich vooral voor in perioden van plotselinge schaarste, tijdens of onmiddellijk na oorlogen, enzovoort.
[4] Jean Marchal en Jacques Lecaillon (2) wagen zich aan een onzakelijk aandoende exegese van teksten van marxistische tijdgenoten om aan te tonen dat volgens Marx de lonen van onproductieve arbeiders ten laste komen van de lonen van productieve arbeiders. Gezegd moet worden dat ze ook teksten aanhalen die een ander standpunt verdedigen. Over het geheel genomen is dit onderzoek echter van meet af aan onbetrouwbaar, omdat het niet uitgaat van de reële voorwaarden waaronder de accumulatie van het kapitaal plaatsvindt. In een tijd waarin investeringsgebieden die meer dan de gemiddelde winst opleveren ontbreken, waarin het steeds moeilijker wordt de meerwaarde te realiseren, heeft de ontwikkeling van de onproductieve sectoren vooral de tendens de chronische werkloosheid te beperken en maakt daardoor een grotere stabiliteit (of zelfs een stijging) van het reële loon mogelijk.
[5] Een dienst is het nuttig effect van een gebruikswaarde – in wezen een uit gekwalificeerde arbeid voortkomende prestatie – waarvan productie en consumptie samenvallen, omdat deze gebruikswaarde niet in een materieel product vervat is.
[6] Bauer en Yamey merken op dat in talrijke onderontwikkelde landen de inkomsten van bedelaars geenszins onbetekenend zijn (4).
[7] Voor zover deze activiteiten betaald worden uit de opbrengst van de indirecte belastingen.
[8] In deel 2, hoofdstuk 18 zien we een verrassende toepassing van dit idee. Dit citaat heeft des te meer waarde, daar het betrekking heeft op het meest ontwikkelde kapitalistische land ter wereld. Bepaalde schrijvers, bijvoorbeeld J. Markovitch (7), hebben beweerd dat in de achtergebleven gebieden de aankoop van diensten met recht beschouwd kan worden als een overdracht van uitgaven, maar dat dit niet opgaat voor de ontwikkelde landen. Vooral de ruil van diensten tegen diensten zou niet verwaarloosd mogen worden. Toch moet zelfs, volgens de huidige academische methode, de aankoop van een dienst door een werkloze verwaarloosd worden. Overdrachten in de derde graad veranderen niets aan dit probleem.
[9] Dezelfde schrijver vervalt echter onmiddellijk in de fout productieve en onproductieve arbeid te verwarren, wanneer hij verder gaat: ‘Zoals het nationaal inkomen nu wordt berekend, zal het in een land waar de huishoudelijke diensten in het algemeen buitenshuis of ter plaatse zelf tegen betaling verricht worden en waar de huisvrouwen de zo gewonnen (inderdaad!) tijd aanwenden om tegen betaling te werken, hoger zijn dan in landen waar al deze diensten door het gezin zelf verricht worden. De productie van het eerste land is in werkelijkheid niet zoveel groter als het verschil tussen deze twee cijfers van het nationaal inkomen zou doen vermoeden’ (9).
De schrijver vergeet dat de huisvrouwen die arbeidsters geworden zijn, in de ‘op deze wijze gewonnen tijd’ nieuwe waren produceren en een nieuwe waarde scheppen, hetgeen deze keer eens wel getrouw in de berekeningen van het nationaal inkomen weerspiegeld wordt. En zelfs gezien vanuit een nationale boekhouding in arbeidsuren is de besparing die gerealiseerd wordt doordat de huishoudelijke arbeid verricht wordt door gespecialiseerde bedrijven, enorm.
[10] Deze problemen worden meer gedetailleerd behandeld in het laatste gedeelte van dit hoofdstuk, evenals in het volgende hoofdstuk en in deel 2, hoofdstuk 14, par. ‘Een kapitalisme zonder crises?’
[11] Er kan eindeloos gediscussieerd worden over het volgende probleem: moeten de indirecte belastingen beschouwd worden als een wezenlijk onderdeel van de geproduceerde meerwaarde, en het nationaal inkomen berekend worden uitgaande van marktprijzen? Of moet het nationaal inkomen eerder berekend worden in factorprijzen en de onderdelen ervan opnieuw geschat worden, terwijl het gedeelte dat de staat zich door de indirecte belastingen toe-eigent, afgetrokken wordt? Het resultaat is bijna hetzelfde.
[12] De prijs van het in de loop van het jaar vernieuwde, circulerende constante kapitaal, de gereproduceerde grondstoffenvoorraad, is in deze tabel eveneens uitgesplitst in zijn samenstellende elementen: c(vast) + v + m + indirecte belastingen. Uit marxistisch oogpunt gezien, gaat dit op voor zover de waarde van deze voorraad in stand is gehouden. Want als deze in de productie van eindproducten verwerkte grondstoffen geen nieuwe maar een in stand gehouden waarde zijn, ontstaat met de productie van deze grondstoffen natuurlijk een nieuwe waarde.
[13] Met uitzondering van een gedeelte van de inkomsten van zelfstandige producenten.
[14] Aangezien Joan Robinson uitgaat van de hypothese dat de kapitalisten helemaal niets van hun winst aanwenden voor hun eigen onproductieve consumptie, beschrijft ze in haar state of bliss de eenvoudige reproductie als volgt: ‘Alle arbeid wordt aangewend voor de productie van consumptiegoederen en de instandhouding van het bestaande kapitaal’ (30).
[15] In de eerste cyclus geven 1500m + 1200m een totale meerwaarde van 2700, ofwel 31 pct. winst op een totaal kapitaal van 8700. De productieprijs van I en II wordt berekend door 31 pct. winst bij de respectievelijke kapitalen te voegen. In de tweede cyclus geven 1800m + 1400m een totale meerwaarde van 3200, ofwel 30,75 pct. winst op een totaalkapitaal van 10.405. In de derde cyclus 2160m + 1600m een totale meerwaarde van 3760, ofwel 30 pct. winst op een totaal kapitaal van 12.525.
Wij veronderstellen een onproductieve consumptie van de winst van 500 in I en 495 in II in de loop van de eerste cyclus, en van 600 in I en 480 in II in de loop van de tweede cyclus.
[16] Sommige schrijvers (31) beweren dat de op deze wijze uitgevoerde berekening noodzakelijkerwijs op vergissingen en tegenspraken moet uitlopen, aangezien ook de waarde van c en v in iedere cyclus niet in productieprijzen wordt omgezet. Deze opmerking is niet gerechtvaardigd. De productieprijs van c resulteert uit de nivellering van de winstvoet in de loop van de voorafgaande cyclus. Deze prijs is een vaststaand gegeven, omdat de kapitalist, onafhankelijk van tegenslag of succes in de concurrentie, een van te voren bepaalde prijs voor de machines, grondstoffen, enzovoort die hij gekocht heeft, betaald heeft of nog verschuldigd is. Wat betreft de omzetting van waarden in productieprijzen zoals in de schema’s van de eenvoudige reproductie wordt toegepast: deze is inderdaad misleidend maar niet om de reden die door bovengenoemde schrijvers aangehaald wordt. Deze omzetting is het gevolg van de kapitalistische concurrentie die juist ontbreekt in het schema van de eenvoudige reproductie en in een op de eenvoudige warenproductie gebaseerde economie, die in dit schema weergegeven is. Terloops zij nog opgemerkt, dat de boven geciteerde schrijvers productieprijzen en geldprijzen op de markt verwarren, omdat zij in hun redenering de omstandigheden van de goudindustrie laten meespelen.
[17] Zie deel 2, hoofdstuk 13.
[18] In deel 2, hoofdstuk 16 zullen we trachten aan te tonen dat de maximale accumulatievoet nooit het hoogste groeipercentage oplevert en dus nooit de optimale voet is.
[19] Dit punt van de teruglopende reproductie is inderdaad tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten bereikt. De productie van nieuw vast kapitaal (duurzaam uitrustingsmateriaal) daalde van 7,3 miljard dollar in 1929 en van 6,9 miljard dollar in 1940 tot 5,1 miljard dollar in 1942, 3,1 miljard dollar in 1943 en 4 miljard dollar in 1944, terwijl de jaarlijkse slijtage van het bestaande vaste kapitaal in dezelfde periode op 8 miljard dollar werd geschat. De nettovorming van nieuw kapitaal daalde in 1943 tot minder dan 1 pct. van het nationaal inkomen. In dezelfde periode bedroegen de oorlogsuitgaven in 1942: 32 pct., in 1943: 43 pct., in 1944: 43 pct. van het bruto product van de Verenigde Staten (34).
[20] Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de Verenigde Staten deze tweede teruglopende reproductiecyclus nagenoeg bereikt, tenminste wat de stagnatie in de productiegoederensector betreft. Tegen het einde van de oorlog hebben Groot-Brittannië, Duitsland en meer nog Japan de derde cyclus meegemaakt met een inkrimping van de productie I en II. Jacquemyns heeft de gezondheidstoestand van vijfhonderd Belgische mijnwerkers en metaalarbeiders in mei-juni 1941 kunnen analyseren, nadat deze een jaar lang hadden geleefd op een rantsoen waardoor een normale consumptie van brood met 25 pct. was verminderd, van vet, vlees en aardappelen met 60 pct., en van eieren en vis met 75 pct. Bij 64 pct. van de arbeiders leidde dit rantsoen tot een gewichtsverlies van tenminste 4 kg – oplopend tot 15 kg – onder het normale gewicht, met als gevolg: daling van de bloeddruk, constante vermoeidheid en een snelle daling van het rendement (38).
[21] Zie hoofdstuk 7, deel 2, de paragraaf die betrekking heeft op de ‘spreiding’ van aandelen, en deel 2, hoofdstuk 12.
[22] In West-Duitsland brengen de indirecte belastingen in 1960 27,5 miljard DM op tegen 3,8 DM in 1928-1929 voor de gehele republiek van Weimar. In diezelfde periode stegen de lonen en salarissen slechts met 150 pct.
[23] Zie hoofdstuk 5.
[24] Tussen 1950 en 1966 steeg het aandeel fiscale en semi-fiscale lasten in de inkomsten van de loontrekkenden van 21,1 pct. tot 26,6 pct. De West-Duitse loontrekkenden betalen meer directe belastingen dan de zelfstandigen en de kapitalistische ondernemingen.
[25] Dr. Selma Goldsmith, medewerkster van het National Bureau of Economic Research, schat dat in de Verenigde Staten in 1946 24 pct. van de dividenden, 29 pct. van de inkomsten van de ondernemers en 63 pct. van de geïnde renten niet was aangegeven (47).
[26] De officiële Duitse statistieken geven aan dat in 1928 88,84 pct. van de belastingplichtigen 61,1 pct. van de particuliere inkomsten verdiende; in 1950 verdiende in West-Duitsland 86,05 pct. van de belastingplichtigen 59,7 pct. van de particuliere inkomsten. Aan de top van de piramide ontvangt in 1928 0,45 pct. van de belastingplichtigen 11,1 pct. van de particuliere inkomsten; in 1950 ontvangt 1,24 pct. van de belastingplichtigen 10 pct. van de particuliere inkomsten. In 1928 is het aandeel van de 4,3 pct. mensen die het welvarendst zijn, 24,7 pct.; in 1950 is het aandeel van de 4,4 pct. mensen die het welvarendst zijn, 23 pct. (49).
[27] Ondanks alle gekerm is het aantal gezinnen in Amerika met een netto inkomen van een half miljoen dollar sinds 1945 verdubbeld. De meeste grote vermogens slagen er toch op de een of andere manier in elk jaar niet onder de last van de belastingen die erop betaald moeten worden, te bezwijken, omdat advocaten en juridische adviseurs al hun vernuft aanwenden om voor de grote directeuren niet belastbare winsten te ontdekken. De lijst van deze niet belastbare winsten bevat trouwens: enorme premies voor ouderdomsverzekeringen, regelmatig kuren in de bergen, zeiljachten op rekening van de maatschappij, contributies aan clubs (driekwart van de maatschappijen doen dat voor hun hogere kaders), en aanzienlijke bedrijfsonkosten’ (50).


(1) Carl Shoup, Principles of National Income Analysis, p. 27.
(2) Jean Marchal en Jacques Lecaillon, La Réparitition du revenu national, deel III, p. 141-153.
(3) Carl Shoup, Principles of National Income Analysis, p. 85.
(4) Bauer en Yamey, The Economics of Under-Developed Countries, p. 20.
(5) Simon Kuznets, ‘Govemment Product and National Income’, in: Income and Wealth Series, I, p. 193-194.
(6) William H. Whyte, jr., The Organization Man, p. 19.
(7) F. J. Markovitch, ‘Le problème des services et le revenu national’, Bulletin SEDEIS, nr. 699, 1 juni 1958, p. 44 e.v.
(8) Carl Shoup, Principles of National Income Analysis, p. 24.
(9) Ibidem, p. 85.
(10) Simon Kuznets, Economic Change, p. 161-162.
(11) Op. Cit., p. 196.
(12) National Income Statistics, Sources and Methods, gepubliceerd door (British) Central Statistical Office, p. 3, 10, 31-32.
(13) Alvin Hansen, Business Cycles and National Income, p. 96.
(14) Economic Stabilization Board of Japan, Economic Survey of Japan 1951-1952, p. 272.
(15) J. Schumpeter, Business Cycles, II, p. 566.
(16) V. Woytinsky, Les Conséquences sociale: de la crise (publicatie van de BIT), p. 139-140.
(17) Ruggles, An Introduction to National Income and Income Analysis, p. 68.
(18) National Income Statistics, Sources and Methods, p. 72.
(19) Alvin Ransen, Business Cycles and National Income, p. 94.
(20) Ibidem, p. 96.
(21) Ibidem, p. 96.
(22) R. Ruggles, An Introduction to National Income and Income Analysis, p. 68.
(23) Rudolf Eckert, Les Théories modernes de l’expansion économique, p. 42.
(24) M. Abramovicz, Inventories and Business Cycles, p. 329.
(25) G. Espinas, Les Origines du capitalisme, I, p. 165.
(26) Geciteerd in: Pitirim A. Sorokin, Society, Culture and Personality, p. 274.
(27) Carr-Sanders, D. Caradog Jones en C. A. Moser, A Survey of Social Conditions in England and Wales, p. 176.
(28) Carl Shoup, Principles of National Income Analysis, p. 326; Kuznets, Shares of Upper Income Groups in Income and Savings, p. 216; Carl Shoup, Principles of National Income Analysis, p. 326-330; Federal Reserve Board and Michigan Survey Research Center, 1950 Survey of Consumer Finances.
(29) M. Herskovitz, Economic Life of Primitive Peoples, p. 93.
(30) Joan Robinson, The Accumulation of Capital, p. 82-83.
(31) L. von Bortkiewicz, ‘Zur Berechtigung der Grundlagen der theoretischen Konstruktion von Marx im 3. Band des Kapitals’, in: Jahrbücher für Nat. Oekonomie und Statistik, juli 1907; Paul Sweezy, The Theory of Capitalist Development, p. 114-128.
(32) J. Schumpeter, Business Cycles, deel I, p. 102.
(33) Wolfram Eberhard, Chinas Geschichte, p. 264.
(34) Carl Shoup, Principles of National Income Analysis, p. 179, 194, 216.
(35) The Economist, 6-5-1944.
(36) Carl Shoup, Principles of National Income Analysis, p. 214.
(37) F. Barret, L’Evolution du capitalisme japonais, III, p. 345.
(38) G. Jacquemyns, La Société belge sous l’occupation allemande 1940-1944, deel I, p. 123, 132-133, 138.
(39) Prof. Bruno Gleitze, in: WWI Mitteilungen, maart 1955, p. 55.
(40) Leinberg, Ussing en Zeuthen, in: Income Redistribution and Social Policy, samengesteld door Alan T. Peacock, p. 69.
(41) Ibidem, p. 114, 156-157, 144-145, 81.
(42) Rottier en J. F. Albert, ibidem, p. 114; Rapport au congrès du PSB van 12-13 december 1959, p. 51.
(43) Rottier en J. F. Albert, in: Income Redistribution and Social Policy, p. 135-136.
(44) F. Weaver, ‘Taxation and Redistribution in the United Kingdom’, in: Review of Economics and Statistics, augustus 1950, p. 206.
(45) Leinberg, Ussing en Zeuthen, in: Income Redistribution and Social Policy, p. 63.
(46) Simon Kuznets, Shares of Upper Income Groups in Income and Savings, passim en p. 36-39.
(47) Studies in Income and Wealth, uitgegeven door NBER, deel 132, p. 302 (New York 1951).
(48) Statistical Abstract of the USA, 1958.
(49) Mitteilungen des WWI, oktober-november 1950.
(50) Vance Packard, Les Obsédés du Standing, p. 26.
(51) Simon Kuznets, Shares of Upper Income Groups in Income and Savings, p. 216 en Statistical Abstract of the USA, 1958.