Karl Marx

Bijdrage tot de kritiek op Hegels Rechtsfilosofie – Inleiding


Oorspronkelijke titel: Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie Einleitung
Oorspronkelijke tekst: MEGA, I, 1/1: 607-621. – MEW, I, 378-391. L, 207-224, G, 65-82.
Bron: Kerngedachten van Karl Marx - Uitgeverij De Nederlandse Boekhandel, Antwerpen/Amsterdam, derde druk [Dankzij Uitgeverij Pelckmans]
Vertaling: L. Van Bladel
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons LicenseCreative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
Filosofie van de staat
Wat is marxisme
Het wezen van het christendom

Voor Duitsland is de kritiek op de godsdienst in hoofdzaak beëindigd, en de kritiek op de godsdienst is de voorwaarde voor alle kritiek.

Het wezen van de religie

Het profane bestaan van de dwaling is gecompromitteerd, nu haar hemelse oratio pro aris et focis weerlegd is. De mens die in de fantastische werkelijkheid van de hemel waar hij een oppermens zocht, alleen maar de weerschijn van zichzelf heeft gevonden, zal niet meer geneigd zijn alleen maar de onmens te vinden, waar hij zijn ware werkelijkheid zoekt en zoeken moet.

De grondslag van de irreligieuze kritiek is: de mens maakt de religie, de religie maakt niet de mens. De religie is inderdaad het zelfbewustzijn of het zelfgevoel van de mens die zichzelf ofwel nog niet gevonden ofwel alweer verloren heeft. Maar de mens, dat is geen abstract, buiten de wereld hokkend wezen. De mens, dat is de wereld van de mens, staat, maatschappij. Deze staat, deze maatschappij brengen de religie voort, d.i. een verkeerd wereldbewustzijn omdat zij een verkeerde wereld zijn. De religie is de algemene theorie van deze wereld, haar encyclopedisch handboek, haar logica in populaire vorm, haar spiritualistisch point d’honneur, haar enthousiasme, haar morele bekrachtiging, haar plechtige aanvulling, haar algemene vertroostings- en rechtvaardigingsgrond. Zij is de fantastische verwerkelijking van het menselijk wezen omdat het menselijk wezen geen ware werkelijkheid bezit. De strijd tegen de religie is bijgevolg onrechtstreeks de strijd tegen die wereld, waarvan de religie het geestelijk aroma is.

De religieuze ellende is tegelijkertijd de uitdrukking van de werkelijke ellende en het protest tegen de werkelijke ellende. De religie is de verzuchting van het verdrukte schepsel, het gemoed van een harteloze wereld, zoals ze ook de geest van geestloze toestanden is. Zij is het opium van het volk.

De opheffing van de religie als illusorisch geluk van het volk is de vereiste voor zijn werkelijk geluk. De eis om de illusies over zijn toestand op te geven is de eis om een toestand op te geven die illusies nodig heeft. De kritiek van de religie is dus in kiem de kritiek van het tranendal, waarvan de religie het aureool is.

De kritiek heeft de ingebeelde bloemen van de ketenen afgerukt niet opdat de mens onopgesmukte, troosteloze ketenen zou dragen, maar opdat hij zijn ketenen zou afwerpen en de levende bloemen plukken. De kritiek van de godsdienst ontnuchtert de mens opdat hij zou denken, handelen, zijn werkelijkheid opbouwen zoals een ontnuchterde, tot verstand gekomen mens het doet, opdat hij zich om zichzelf en meteen om zijn werkelijke zon zou bewegen. De godsdienst is slechts de illusorische zon die zich om de mens beweegt zolang hij zich niet om zichzelf beweegt.

Van de hemel naar de aarde

Het is dus de taak van de geschiedenis, nu het Generzijdse van de waarheid verzwonden is, de waarheid van het Dezerzijdse te vestigen. Het is in de eerste plaats de taak van de filosofie, die in dienst van de geschiedenis staat, nu het heiligenbeeld van de menselijke zelfvervreemding is ontmaskerd, de zelfvervreemding in haar on-heilige gestalten te ontmaskeren. De kritiek van de hemel wordt zodoende omgezet in de kritiek van de aarde, de kritiek van de godsdienst in de kritiek van het recht, de kritiek van de theologie in de kritiek van de politiek.

De hierop volgende uiteenzetting – een bijdrage tot die taak – knoopt niet onmiddellijk aan bij het origineel, maar bij een kopie, de Duitse staats- en rechtsfilosofie, om de eenvoudige reden dat zij bij Duitsland aanknoopt.

De Duitse politieke achterlijkheid

Zo men bij de Duitse status quo zou willen aanknopen, ook al zou men dit op de enige aangepaste wijze doen, dus negatief, dan zou men toch altijd slechts tot een anachronisme komen. Zelfs de verwerping van onze huidige politieke situatie vindt men reeds als een afgedane zaak in de rommelkamer van de moderne volken. Als ik de gepoederde pruiken een object van de scherprechter blijft. De kritiek die daartegen ten strijd trekt is geen hartstocht van het hoofd, maar het hoofd van de hartstocht. Ze is geen anatomisch mes, zij is een wapen. Haar object is haar vijand die zij niet weerleggen maar vernietigen wil. Want de geest van deze toestanden is al weerlegd. Op zichzelf beschouwd zijn ze geen denk-waardige objecten maar even verachtelijke als verachte existenties. De kritiek heeft zich daarover geen waarheid meer te scheppen, zij is ermee in het reine. Zij wordt niet meer gezien als een doel op zich, maar enkel nog als middel. Haar wezenlijk pathos is de verontwaardiging, haar belangrijkste arbeid de aanklacht.

Het komt neer op de afschildering van een benauwde, onderlinge druk van alle maatschappelijke sferen op elkaar, een algemene inerte ontstemming, een bekrompenheid die evenzeer erkend als miskend wordt, ingevat in de kaders van een regeringssysteem dat, terwijl het leeft van het behoud van alle erbarmelijkheden, niets anders is dan de erbarmelijkheid van de regering zelf.

Wat een schouwspel! De tot in het oneindige doorgevoerde verdeling van de maatschappij in de meest uiteenlopende rassen, die met petieterige antipathie, slecht geweten en brutale middelmatigheid tegenover elkaar staan, maar juist omwille van hun onderlinge dubbelzinnige en achterdochtige verhouding allemaal zonder onderscheid, ofschoon met verschillende formaliteiten, door hun heren behandeld worden als existenties-met-vergunning. En zelfs dat, het feit dat ze onder heerschappij staan, geregeerd en bezeten worden, moeten ze als een vergunning van de hemel erkennen en belijden! Aan de andere kant die heersers zelf, wier grootheid in omgekeerde verhouding tot hun aantal staat!

De kritiek die zulk een situatie tot voorwerp neemt is een kritiek van man tegen man, en in een handgemeen komt het er niet op aan of de tegenstander een edele, gelijkwaardige, een interessante tegenstander is, het komt er op aan hem te treffen. Het komt erop aan de Duitsers geen ogenblik van zelfbegoocheling en berusting te gunnen. Men moet de werkelijke druk nog drukkender maken door er het bewustzijn van de druk aan toe te voegen, de smaad nog smadelijker door verwerp, houd ik nog altijd de niet-gepoederde pruiken over. Als ik de Duitse toestanden van 1843 verloochen, sta ik naar Franse tijdrekening nog maar nauwelijks in het jaar 1789 en zeker niet in het brandpunt van de actualiteit.

Ja de Duitse geschiedenis kan prat gaan op een beweging, die geen volk aan de historische hemel haar heeft voorgedaan noch na zal doen. Wij hebben namelijk gedeeld in de restauraties van de moderne volken zonder aan hun revoluties deel te nemen. Wij werden gerestaureerd, ten eerste omdat andere volken een revolutie waagden, en ten tweede omdat andere volken een contrarevolutie ondergingen, de eerste keer omdat onze heren schrik hadden en de tweede keer omdat onze heren geen schrik hadden. Wij, onze herders aan de spits, bevonden ons maar één maal in het gezelschap van de vrijheid, op de dag van haar begrafenis.

Een school die het eerloze heden door de eerloosheid van gisteren legitimeert, een school die elke schreeuw van de lijfeigene tegen de knoet opstandigheid noemt, zodra die knoet een bejaarde, een overgeërfde, een historische knoet is, een school waaraan de geschiedenis, zoals de God van Israël aan zijn dienaar Mozes, enkel haar a posteriori toont, m.a.w. de Historische rechtsschool, zou inderdaad de Duitse geschiedenis uitgevonden hebben zo zij niet zelf door de Duitse geschiedenis was uitgevonden. Gelijk Shylock, maar dan Shylock de lakei, zweert zij voor elk pond vlees, dat uit het volkshart wordt gesneden, bij haar schijn, bij haar historische schijn, bij haar christelijk-germaanse schijn.

Goedmoedige enthousiasten daarentegen, oerduitsers, naar het bloed en vrijzinnigen naar de gedachte, zoeken de geschiedenis van onze vrijheid aan de andere kant van onze geschiedenis in de teutonische oerwouden. Waarin verschilt echter de geschiedenis van onze vrijheid van die van het everzwijn, als zij alleen maar in de bossen te vinden is? Het is trouwens bekend: wat men het woud inschreeuwt, krijgt men er weergalmd uit terug. Dus vrede aan de teutonische oerwouden!

Oorlog aan de Duitse toestanden! Alleszins! Zij liggen beneden het niveau van de geschiedenis, zij liggen beneden alle kritiek maar ze blijven een object van de kritiek zoals de misdadiger die beneden het niveau van de mensheid staat hem publiek te maken. Men moet iedere sfeer van de Duitse maatschappij als de partie honteuse van de Duitse samenleving afschilderen, men moet deze versteende verhoudingen tot de dans dwingen door ze hun eigen melodie voor te zingen! Men moet het volk van zichzelf leren schrikken om het courage te geven. Men voldoet daarmee aan een onafwijsbare behoefte van het Duitse volk, en de behoeften van de volken zijn in eigen persoon de laatste gronden van hun bevrediging.

En zelfs voor de moderne volken kan deze strijd tegen de bekrompenheid van de Duitse status quo niet zonder belang zijn, want de Duitse status quo is de openhartige voltooiing van het ancien régime, en het ancien régime is het verborgen gebrek van de moderne staat. De strijd tegen het politieke heden van Duitsland is de strijd tegen het verleden van de moderne volken, en deze worden nog steeds door de reminiscenties van dit verleden bezwaard. Het is voor hen leerrijk, het ancien régime dat bij hen zijn tragedie beleefde, thans met een Duitse bezetting zijn komedie te zien opvoeren. Tragisch was de geschiedenis van het ancien régime zolang het de pre-existente wereldmacht was, de vrijheid daarentegen een persoonlijke inval, kortom, zolang het zelf aan zijn goed recht geloofde en geloven moest. Zolang het ancien régime als bestaande wereldorde met een nog in wording zijnde wereld vocht, beging het een wereldhistorische maar geen persoonlijke vergissing. Daarom was zijn ondergang tragisch.

Maar het huidige Duitse régime is een anachronisme, flagrant in tegenspraak met algemeen aanvaarde axioma’s, het stelt ten aanschouwen van heel de wereld de nietigheid van het ancien régime ten toon, het beeldt zich nog enkel in dat het in zichzelf gelooft en het verlangt van de wereld dezelfde inbeelding. Indien het aan zijn eigen wezen geloofde, zou het dit dan achter de schijn van een vreemd wezen verbergen en zijn heil in de huichelarij en het sofisme zoeken? Het hedendaagse ancien régime is nog slechts de komediant van een wereldorde, waarvan de werkelijke helden gestorven zijn. De geschiedenis werkt grondig en maakt vele fasen door wanneer zij een oude structuur ten grave draagt. De laatste fase van een wereldhistorische structuur is haar komedie. De goden van Griekenland die reeds een eerste keer op tragische wijze dodelijk gewond werden in de geboeide Prometheus van Aischylos, moesten nog een keer komisch sterven in de dialogen van Lucianus. Waarom deze gang van de geschiedenis? Opdat de mensheid met een vrolijk hart van haar verleden zou scheiden. Deze vrolijke historische bestemming eisen wij op voor de politieke machten van Duitsland.

Zodra echter de moderne politiek-sociale werkelijkheid zelf aan de kritiek onderworpen word en de kritiek dus opklimt tot waarlijk menselijke problemen, bevindt zij zich al buiten het Duitse status quo, of anders zou zij haar object beneden haar object zoeken. Een voorbeeld! De verhouding van de industrie, van de wereld van de rijkdom in het algemeen tot de politieke wereld is een hoofdprobleem van de moderne tijd. Onder welke vorm begint dit probleem de Duitsers bezig te houden? Onder de vorm van het protectionisme, van het prohibitiesysteem, van de nationale economie. De Germanomanie is van de mens in de materie gevaren, en zo zagen wij op zekere morgen onze katoenridders en ijzermagnaten in patriotten veranderd. Men begint dus in Duitsland de soevereiniteit van het monopolie naar binnen te erkennen doordat men er de soevereiniteit naar buiten aan toekent. Men begint zodoende nu in Duitsland met datgene, waarmee men in Frankrijk en Engeland begint op te houden. De oude, rotte toestand waartegen die landen theoretisch in opstand zijn en die zij nog slechts verdragen zoals men ketens verdraagt, wordt in Duitsland als het opgaande morgenrood van een schone toekomst begroet, die het nog maar nauwelijks waagt van de listige theorie naar de meest meedogenloze praktijk over te stappen. Terwijl in Frankrijk en Engeland het probleem luidt: Politieke economie of heerschappij van de maatschappij over de rijkdom, luidt het in Duitsland: nationale economie of heerschappij van de privé-eigendom over de nationaliteit. Het gaat er dus in Frankrijk en Engeland om, het monopolie dat er tot zijn laatste consequenties is gekomen af te schaffen; in Duitsland gaat het er om, tot de laatste consequenties van het monopolie te komen. Ginds gaat het om de oplossing en hier gaat het nog maar pas om het conflict. Een afdoend voorbeeld van de Duitse vorm van de moderne problemen, een voorbeeld hoe onze geschiedenis, als een onhandige rekruut, tot nu toe enkel de taak had afgezaagde geschiedenissen na te exerceren.

De filosofische revolutie in Duitsland

Indien de algemene Duitse ontwikkeling zich niet verder zou uitstrekken dan de politieke Duitse ontwikkeling, dan zou een Duitser in de hedendaagse problemen ten hoogste betrokken kunnen worden zoals een Rus daarin betrokken is. Het blijft echter waar dat, zo een individu niet door de grenzen van zijn natie wordt beperkt, nog minder de hele natie bevrijd wordt door de bevrijding van een individu. De Scythen zijn geen stap dichter tot de Griekse cultuur genaderd omdat Griekenland een Scyth onder zijn filosofen telde. Gelukkig zijn wij Duitsers geen Scythen.

Zoals de oude volken hun voorgeschiedenis in de verbeelding beleefden, in de mythologie, zo hebben wij Duitsers onze na-geschiedenis in de gedachte beleefd, in de filosofie. Wij zijn filosofische tijdgenoten van het heden zonder zijn historische tijdgenoten te zijn. De Duitse filosofie is het ideale verlengstuk van de Duitse geschiedenis. Indien wij dus in de plaats van de oeuvres incomplètes van onze reële geschiedenis de oeuvres posthumes van onze ideële geschiedenis, de filosofie bekritiseren, dan staat onze kritiek midden in de vragen waarvan de huidige tijd zegt: that is the guestion. Hetgeen bij de meer ontwikkelde volken praktisch verweer is tegen de moderne politieke toestanden, dat is in Duitsland, waar deze toestanden nog niet eens bestaan, kritisch verweer tegen de filosofische spiegeling van deze toestanden.

De Duitse rechts- en staatsfilosofie is de enige Duitse geschiedenis die met de officiële huidige tijd gelijke tred houdt. Het Duitse volk moet bijgevolg zijn droomgeschiedenis nog aan zijn bestaande toestanden toevoegen en niet slechts die bestaande toestanden maar daarenboven nog hun abstract verlengstuk aan de kritiek onderwerpen. Zijn toekomst kan zich noch tot de onmiddellijke verloochening van zijn reële, noch tot de onmiddellijke verwerkelijking van zijn ideële staats- en rechtstoestanden beperken, want de onmiddellijke verloochening van zijn reële toestanden bezit het reeds in zijn ideële toestanden, en de onmiddellijke verwezenlijking van zijn ideële toestanden heeft het in de opvatting van de naburige volken bijna reeds opnieuw overleefd. Terecht eist daarom de praktische politieke partij in Duitsland de verloochening van de filosofie. Haar ongelijk bestaat niet in deze eis maar in het feit dat zij blijft staan bij deze eis, welke ze niet ernstig wil noch kan ten uitvoer leggen. Zij meent dat ze die verloochening voltrekt door de filosofie de rug toe te keren en met afgewend hoofd een paar humeurige en banale zinnen over haar te mompelen. De bekrompenheid van hun gezichtskring rekent de filosofie niet eens tot het domein van de Duitse werkelijkheid of stelt ze zelfs beneden de Duitse praktijk en de theorieën in dienst van die praktijk. Jullie verlangen dat men bij werkelijke levenskiemen zou aanknopen, maar jullie vergeten dat de werkelijke levenskiem van het Duitse volk tot nu toe slechts onder zijn hersenschedel gewoekerd heeft. In één woord: jullie kunnen de filosofie niet opheffen zonder ze te verwerkelijken.

Dezelfde vergissing, maar met omgekeerde factoren, beging de theoretische politieke partij, die van de filosofie uitgaat. Zij zag in de hedendaagse strijd enkel de kritische strijd van de filosofie met de Duitse wereld; zij dacht er niet aan dat hun tijdgebonden filosofie zelf tot deze wereld behoort en er de ideële aanvulling van is. Zij stond kritisch tegenover haar tegenpartij maar onkritisch tegenover zichzelf, in zover zij van de vooronderstellingen van de filosofie uitging en ofwel bij de door haar bekomen resultaten bleef staan ofwel eisen en resultaten, die van elders kwamen, voor eisen en resultaten van de filosofie zelf uitgaf, ofschoon deze resultaten – afgezien van hun juistheid – in feite slechts kunnen bereikt worden door de verloochening van de filosofie zoals die tot nu toe was, van de filosofie als filosofie. Een meer gedetailleerde bespreking van deze partij reserveren wij voor later. Haar grondfout kan hiertoe herleid worden: Zij meende de filosofie te kunnen verwerkelijken zonder ze op te heffen.

De kritiek op de Duitse staats- en rechtsfilosofie, die van Hegel haar meest consequente, rijkste en laatste systematisatie heeft gekregen, is tegelijk: zowel de kritische analyse van de moderne staat en de met hem samenhangende werkelijkheid, alsook de besliste ontkenning van heel de tot nu toe kenmerkende aard van het Duitse staat- en rechtskundig bewustzijn, waarvan de voornaamste, meest universele, op wetenschappelijk niveau gebrachte uitdrukking precies de speculatieve rechtsfilosofie zelf is. Was enkel in Duitsland zulk een speculatieve rechtsfilosofie mogelijk, dat abstract en overspannen denken van de moderne staat, waarvan de werkelijkheid een Generzijds blijft, ook al ligt het slechts generzijds van de Rijn, toch was evenzeer omgekeerd de Duitse, van de werkelijke mens geabstraheerde, gedachteconstructie van de moderne staat slechts mogelijk omdat en in zover de moderne staat zelf van de werkelijke mens abstractie maakt of althans de gehele mens op een slechts ingebeelde wijze bevredigt. De Duitsers hebben in de politiek gedacht wat de andere volken gedaan hebben. Duitsland was hun theoretisch geweten. De abstractie en aanmatiging van zijn denken hield steeds gelijke tred met de eenzijdigheid en onvolgroeidheid van hun werkelijkheid. Zo bijgevolg de status quo van het Duitse staatswezen de voltooiing van het ancien régime uitdrukt, de definitieve doorn in het vlees van de moderne staat, dan drukt de status quo van de Duitse politieke wetenschap de onvoltooidheid van de moderne staat uit, de gebrekkige toestand van zijn vlees zelf.

Alleen reeds door het feit dat zij beslist partij kiest tegen de tot nu toe kenmerkende aard van het Duitse politieke bewustzijn, blijft de kritiek op de speculatieve rechtsfilosofie niet in haar eigen kringetje draaien, maar wordt zij met taken geconfronteerd die maar door één middel opgelost kunnen worden: door de praktijk.

De vraag is dan: kan Duitsland tot een praktijk á la hauteur des principes komen, d.i. tot revolutie, die het niet alleen verheft tot het officiële niveau van de moderne volken maar tot de menselijke hoogte waartoe deze volken in de naaste toekomst zullen komen.

De radicaliteit van de Duitse revolutie

Het wapen van de kritiek kan in ieder geval de kritiek van de wapens niet vervangen, de materiële macht moet door materiële macht ten val gebracht worden maar ook de theorie wordt een materiële macht zodra zij de massa’s aangrijpt. De theorie is in staat de massa’s aan te grijpen zodra zij ad hominem bewijst, en zij bewijst ad hominem zodra zij radicaal wordt. Radicaal zijn betekent de zaak in de wortel aangrijpen. De wortel voor de mens is echter de mens zelf. Een duidelijk bewijs voor het radicalisme van de Duitse theorie, bijgevolg voor haar praktische energie, is het feit dat zij uitgaat van de besliste positieve opheffing van de religie. De kritiek op de religie eindigt met de leer dat de mens het hoogste wezen is voor de mens, dus met de categorische imperatief de verhoudingen te revolutioneren waarin de mens een vernederd, geknecht, verlaten, verachtelijk wezen is, verhoudingen die men nog het best kan karakteriseren met de woorden van een Fransman, die toen hij hoorde van een hondenbelasting uitriep: Arme honden! men wil jullie als mensen behandelen!

Zelfs historisch heeft de theoretische emancipatie een specifiek praktische betekenis voor Duitsland. Duitslands revolutionair verleden is namelijk theoretisch: de Hervorming. Zoals het toen de monnik was, zo is het thans de filosoof in wiens brein de revolutie begint.

Luther heeft alleszins het knechtschap-uit-devotie overwonnen, door er het knechtschap-uit-overtuiging voor in de plaats te stellen. Hij heeft het geloof in het gezag gebroken, door het gezag van het geloof te herstellen. Hij heeft de papen in leken veranderd, door de leken in papen te veranderen. Hij heeft de mensen van de uiterlijke religiositeit bevrijd, door de religiositeit tot de innerlijke mens te maken. Hij heeft het lijf van de boeien verlost, door het hart in boeien te slaan.

Ofschoon het protestantisme niet de juiste oplossing is, toch is het wel de juiste stelling van het probleem. Het ging voortaan niet meer om de strijd van de leek met de paap buiten hem, maar om de strijd met zijn eigen innerlijke paap, met zijn paapse natuur. En waar de protestantse verandering van de Duitse leken in papen en lekenpausen, de vorsten met heel hun cleresie, namelijk de geprivilegieerden en de filisters, emancipeerde, daar zal de filosofische verandering van de paapse Duitsers in mensen het volk emanciperen. Maar evenmin als de emancipatie tot de vorsten beperkt bleef, zal de secularisatie halt maken bij de kerkenroof, die vooral het huichelachtige Pruisen doorgevoerd heeft. Destijds is de Boerenoorlog, het radicaalste feit van de Duitse geschiedenis aan de theologie ten ondergegaan. Vandaag, nu de theologie zelf is ten ondergegaan, zal het meest onvrije feit van de Duitse geschiedenis, onze status quo tegen de filosofie te pletter slaan. Op de dag vóór de Hervorming was het officiële Duitsland de meest onvoorwaardelijke knecht van Rome. Op de dag vóór de revolutie is het de onvoorwaardelijke knecht van heel wat minder dan Rome, van Pruisen en Oostenrijk, van landjonkers en filisters.

Voor een radicale Duitse revolutie schijnt ondertussen een hoofdmoeilijkheid in de weg te staan.

Revoluties hebben namelijk een passief element, een materiële grondslag nodig. Een theorie wordt in een volk altijd slechts verwerkelijkt in de mate waarin zij de verwerkelijking van zijn behoeften is. Zal nu de kolossale tweespalt tussen de vorderingen van de Duitse gedachte en de antwoorden van de Duitse werkelijkheid haar tegenhanger vinden in het conflict van de burgerlijke maatschappij met de staat en met zich zelf? Zullen de theoretische noden onmiddellijk praktische noden zijn? Het volstaat niet dat de gedachte naar verwerkelijking stuwt, de werkelijkheid moet zichzelf tot gedachten opstuwen.

Maar Duitsland heeft de tussenstadia van de politieke emancipatie niet gelijktijdig met de moderne volken bereikt. Zelfs de stadia, die het theoretisch voorbijstreefde, heeft het praktisch nog niet bereikt. Hoe zou het met één salto mortale niet alleen over zijn eigen begrenzingen maar tegelijk over die van de moderne volken kunnen heen geraken; over begrenzingen, die het in feite als bevrijding van zijn werkelijke begrenzingen moet ervaren en bestreven? Een radicale revolutie kan enkel maar de revolutie van radicale behoeften zijn; maar de voorwaarden voor het ontstaan van deze behoeften schijnen precies nog te ontbreken.

Maar ofschoon Duitsland de ontwikkeling van de moderne volken slechts met abstracte denkarbeid begeleid heeft, zonder actief deel te nemen aan de werkelijke strijd die zij in hun ontwikkeling hebben doorgemaakt, heeft het anderzijds toch gedeeld in het leed van die ontwikkeling, zonder in het genot van hun gedeeltelijke bevrediging te delen. Even abstract als zijn activiteit was zijn passiviteit. Duitsland zal zich bijgevolg op een goede morgen op het niveau van het Europese verval bevinden, nog voor het ooit op het niveau van de Europese emancipatie gestaan heeft. Men zal Duitsland met een fetisjdienaar kunnen vergelijken, die aan de ziekten van het christendom wegkwijnt.

Bekijkt men om te beginnen de Duitse regeringen, dan ziet men dat zij er door de tijdsomstandigheden, de situatie van Duitsland, de stand van de Duitse beschaving en tenslotte hun eigen gelukkig instinct toe gedreven worden, de geciviliseerde gebreken van de moderne politieke wereld waarvan wij de voordelen niet bezitten, te combineren met de barbaarse gebreken van het ancien régime waarmee wij overvloedig gezegend zijn, zodat Duitsland in groeiende mate ook wordt betrokken zo niet in het verstand dan toch in het onverstand van de staatsstructuren, die vooruitstrevender zijn dan zijn status quo. Bestaat er bv. een land ter wereld, dat zo naïef van alle illusies van het constitutionele staatswezen geniet zonder de werkelijkheid ervan te genieten als het zogenaamde constitutionele Duitsland? Of was het louter toevallig een Duitse regering, die op het idee kwam de kwaal van de censuur te verbinden met de kwaal van de Franse septemberwetten die de persvrijheid veronderstellen? Zoals men in het Romeinse Pantheon de goden van alle naties vond, zo zal men in het heilige Roomse Duitse rijk de zonden van alle staatsvormen vinden. Dat dit eclectisme een tot nog toe onvermoede hoogte zal bereiken, daar staat met name de politiek-esthetische gourmanderie van het Duitse koningstype borg voor, dat er op bedacht is alle rollen van het koningschap te spelen, de feodale net als de bureaucratische, de absolute net als de constitutionele, de autocratische evengoed als de democratische, deze laatste zo niet door de persoon van het volk, dan toch in eigen persoon, zo niet voor het volk dan toch voor zichzelf. Duitsland, de tot een eigen wereld geconstitueerde deficiëntie van de huidige politieke situatie, zal de specifiek Duitse barrières niet kunnen neerhalen, zonder de algemene barrière van de huidige politieke situatie neer te halen.

Historische rol van het proletariaat

Niet de radicale revolutie is een utopische droom voor Duitsland, niet de algemeen menselijke emancipatie, veeleer de gedeeltelijke alleen maar politieke revolutie de revolutie die de pijlers van het huis overeind laat staan. Waarop berust een gedeeltelijke, alleen maar politieke revolutie? Hierop, dat een deel van de burgerlijke maatschappij zich emancipeert en tot algemene heerschappij komt, hierop, dat een bepaalde klasse vanuit haar bijzondere situatie de algemene emancipatie van de maatschappij aanpakt. Deze klasse bevrijdt de hele maatschappij, doch enkel in de veronderstelling dat de hele maatschappij zich in de situatie van deze klasse bevindt, dus bv. geld en cultuur bezit of naar believen verwerven kan.

Geen klasse van de burgerlijke maatschappij kan deze rol spelen zonder in zichzelf en in de massa een moment van enthousiasme in het leven te roepen, een moment waarop zij zich met de maatschappij in het algemeen verbroedert en ermee samensmelt, zich in haar plaats stelt en als haar algemene vertegenwoordiger ervaren en erkend wordt, een moment waarop haar aanspraken en rechten waarlijk de rechten en aanspraken van de maatschappij zelf zijn, waarop zij werkelijk het sociale hoofd en het sociale hart is. Alleen in naam van de algemene rechten van de maatschappij kan een afzonderlijke klasse voor zich de algemene heerschappij opeisen. Om een dergelijke emancipatorische positie in de maatschappij te veroveren en zodoende alle maatschappelijke sferen tot eigen voordeel uit te buiten, zijn revolutionaire energie en geestelijk zelfbewustzijn niet voldoende. Willen de revolutie van een volk en de emancipatie van een bepaalde klasse van de burgerlijke maatschappij samenvallen, wil één bepaalde stand als de stand van de maatschappij in een bepaalde klasse geconcentreerd worden, dan moet een bepaalde stand de stand van de algemene ergernis zijn, de belichaming van het algemeen gebrek, dan moet een bijzondere sociale sfeer voor de notoire misdaad van de hele gemeenschap gelden, zodat de bevrijding van deze sfeer als de algemene zelfbevrijding verschijnt. Wil één stand par excellence de stand van de bevrijding zijn, dan moet omgekeerd een andere stand de openbare stand van de verdrukking zijn. De negatief-universele betekenis van de Franse adel en de Franse clerus conditioneerde de positief-universele betekenis van de direct aangrenzende en tegengestelde klasse van de bourgeoisie.

In Duitsland mist echter iedere bepaalde klasse niet alleen de consequentie, de scherpzinnigheid, de moed, de onverbiddelijkheid die haar tot de negatieve vertegenwoordiger van de maatschappij zou kunnen bestempelen. Geen enkele klasse bezit de zielengrootheid om zich met de volksziel als was het slechts momenteel te identificeren de genialiteit om de materiële macht tot politieke macht op te drijven, de revolutionaire durf om de tegenstander de drieste woorden in het gezicht te slingeren: Ik ben niets, en ik zou alles moeten zijn. Het hoofdbestanddeel van de Duitse moraal en eerlijkheid, niet alleen van de individuen maar ook van de klassen, bestaat veeleer in een bescheiden egoïsme, dat zijn bekrompenheid tot gelding brengt maar ook tegen zichzelf tot gelding laat brengen. De verhoudingen tussen de verscheiden sferen van de Duitse maatschappij zijn bijgevolg niet dramatisch maar episch. Ieder van die sociale sferen komt tot zelfbesef en brengt bijzondere aanspraken naar voren, niet zodra er druk op haar wordt uitgeoefend, maar zodra buiten haar toedoen de tijdsomstandigheden een maatschappelijke basis scheppen, waarop zij van haar kant druk uitoefenen kan.

Zelfs het moreel zelfbewustzijn van de Duitse middenstand berust enkel op het bewustzijn, de algemene vertegenwoordiger te zijn van de filisterachtige middelmatigheid van al de andere klassen. Het zijn dan ook niet alleen de Duitse koningen die mal-à-propos op de troon geraken, elke sfeer van de burgerlijke maatschappij beleeft haar nederlaag voordat zij haar zegepraal heeft behaald, maakt zichzelf tot een beperking voordat zij datgene wat haar beperkt heeft overwonnen, laat haar enggeestig wezen gelden voordat zij haar grootmoedig wezen kan laten gelden, zodat zelfs de gelegenheid om een grote rol te spelen altijd reeds voorbij is voordat ze voorhanden was, en iedere klasse is, wanneer zij de strijd met de klasse boven zich aanbindt, reeds in een strijd met de onder zich liggende klasse verwikkeld. Zo ligt het vorstendom in conflict met het koningschap, de bureaucraat met de adel, de bourgeois met allemaal, terwijl de proletariër reeds begint in conflict te raken met de bourgeois. De middenstand durft het nog maar nauwelijks aan de emancipatie-idee van haar standpunt uit te formuleren, en zowel de maatschappelijke ontwikkeling als de vooruitgang van de politieke theorie verklaart dit standpunt zelf reeds voor verouderd of ten minste problematisch.

In Frankrijk volstaat het dat iemand iets is, om alles te willen zijn. In Duitsland heeft niemand het recht iets te zijn, zo hij niet bereid is van alles afstand te doen. In Frankrijk is de gedeeltelijke emancipatie de grond en de oorzaak van de universele. In Duitsland is de universele emancipatie conditio sine qua non van elke gedeeltelijke ontvoogding. In Frankrijk moet de realiteit, in Duitsland moet de onmogelijkheid van de geleidelijke bevrijding de totale vrijheid voortbrengen. In Frankrijk is iedere volksklasse politiek idealist, zij ervaart zich niet direct als bepaalde klasse maar als vertegenwoordiger van de maatschappelijke behoeften zonder meer. De rol van emancipator gaat aldus trapsgewijze en dramatisch van de ene klasse van het Franse volk naar de andere over, tot hij eindelijk bij de klasse belandt die de maatschappelijke vrijheid niet meer verwerkelijkt onder vooropstelling van bepaalde voorwaarden die buiten de mens liggen maar toch door de menselijke maatschappij geschapen worden, maar integendeel alle voorwaarden voor de menselijke existentie onder vooropstelling van de sociale vrijheid organiseert. In Duitsland daarentegen waar het praktische leven even geestloos is als het geestesleven onpraktisch, heeft geen enkele klasse van de burgerlijke maatschappij behoefte aan noch bekwaamheid voor de algemene emancipatie zolang zij er niet door haar onmiddellijke situatie, door de materiële noodzaak, door haar ketens zelf toe gedwongen wordt.

Wat is er dus nodig voor de positieve mogelijkheid van de Duitse emancipatie?

Antwoord: De vorming van een klasse met radicale ketenen, een klasse van de burgerlijke maatschappij die geen klasse van de burgerlijke maatschappij is, een stand die de ontbinding van alle standen is, een sfeer die een universeel karakter bezit door haar universeel lijden, en geen aanspraak maakt op een bepaald recht omdat geen bepaald onrecht maar het onrecht zonder meer tegen haar bedreven werd, die op geen historische titel maar enkel nog op de titel van mens een beroep kan doen, die niet in een eenzijdige tegenstelling tot de consequenties van het Duitse staatswezen, maar in alzijdige tegenstelling tot diens premissen staat, een sfeer tenslotte, die zich niet emanciperen kan zonder zich van alle overige sferen te emanciperen en door het feit zelf ook alle overige sferen van de maatschappij te emanciperen, die met één woord het volledig verlies van de mens is en bijgevolg alleen door de volledige herwinning van de mens zichzelf worden kan. Deze ontbinding van de maatschappij als een bepaalde stand is het proletariaat.

Het proletariaat begint nog maar pas te ontstaan door de opkomst van de industriële beweging in Duitsland, want niet de natuurlijk gegroeide maar de artificieel geproduceerde armoede, niet de mechanisch door het het gewicht van de maatschappij verpletterde maar de uit de acute ontbinding van de maatschappij, vooral uit de ontbinding van de middenstand voortgesproten mensenmassa vormt het proletariaat, hoewel geleidelijk, dat spreekt van zelf, ook de natuurlijke armoede en de christelijk-germaanse lijfeigenschap zich bij het proletariaat vervoegen.

Wanneer het proletariaat de ontbinding van de tot nog toe bestaande wereldorde verkondigt, spreekt het slechts het geheim van zijn eigen bestaan uit, want het is de factische ontbinding van die wereldorde. Wanneer het proletariaat de negatie van de privé-eigendom eist, dan verheft het slechts tot beginsel van de maatschappij wat de maatschappij tot zijn beginsel heeft verheven, wat in hem als negatief resultaat van de maatschappij reeds zonder zijn toedoen belichaamd is. De proletariër bevindt zich dan ten opzichte van de wordende wereld in hetzelfde recht als de Duitse koning ten opzichte van de bestaande wereld wanneer hij het volk zijn volk, het paard zijn paard noemt. Wanneer de koning het volk tot zijn privé-eigendom verklaart, spreekt hij alleen maar uit dat de privé-eigenaar koning is.

Zoals de filosofie in het proletariaat haar materiële wapens vindt, zo vindt het proletariaat in de filosofie zijn geestelijke wapens, en zodra de bliksem van de gedachte, grondig in deze naïeve volksbodem is ingeslagen, zal de emancipatie van de Duitser tot mens zich voltrekken.

Laten wij het resultaat samenvatten:

De enige praktisch mogelijke bevrijding van Duitsland is de bevrijding op basis van die theorie, die de mens tot het hoogste wezen van de mens uitroept. In Duitsland is de emancipatie uit de middeleeuwen slechts mogelijk als het tegelijkertijd een emancipatie is uit de gedeeltelijke overwinning op de middeleeuwen. In Duitsland kan geen enkele soort van knechtschap gebroken worden zonder dat gelijk welk soort van knechtschap gebroken wordt. Het grondige Duitsland kan niet revolutioneren zonder van de grond uit te revolutioneren. De emancipatie van de Duitser is de emancipatie van de mens. Het hoofd van deze emancipatie is de filosofie, haar hart is het proletariaat. De filosofie kan zich niet verwerkelijken zonder de opheffing van het proletariaat, het proletariaat kan zich niet opheffen zonder de verwerkelijking van de filosofie.

Wanneer alle innerlijke voorwaarden vervuld zijn, zal de dag van de Duitse opstanding verkondigd worden door het kraaien van de Gallische haan.



een rode leeszetel Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame


In of uitschrijven Nieuwsbrief

RSS